Grammatica - redekundig ontleden Talent vmbo-t/havo 1

Grammatica - redekundig ontleden Talent vmbo-t/havo 1
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Grammatica - redekundig ontleden Talent vmbo-t/havo 1

Slide 1 - Tekstslide

Wat is grammatica?
Wie weet wat je doet met grammatica?

Wie weet waarom grammatica belangrijk is?

Welke soorten grammatica zijn er?

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Leerdoelen
De leerdoelen van deze week zijn:

Je weet hoe je een zin in zinsdelen kan verdelen;
Je kan de persoonsvorm benoemen;
Je kan het onderwerp benoemen.

Slide 4 - Tekstslide

Zinsdelen
Zinsdelen zijn woorden of woordgroepjes in een zin die bij elkaar horen.

Als je een zin gaat ontleden kan je het beste een vaste volgorde aanhouden:
1. persoonsvorm
2. gezegde
3. lijdend voorwerp
4. meewerkend voorwerp
De eerste drie gaan we de komende weken leren.

Slide 5 - Tekstslide

Wat is de persoonsvorm voor een woord?

Slide 6 - Open vraag

Hoe kan je de persoonsvorm vinden?

Slide 7 - Open vraag

De persoonsvorm
Waarom is de persoonsvorm eigenlijk zo belangrijk?

De persoonsvorm geeft in een zin aan wie en wanneer iemand iets doet. 

Slide 8 - Tekstslide

Wat is de zinsdeelproef?

Slide 9 - Open vraag

De zinsdeelproef
Om te bepalen wat de zinsdelen zijn ga je kijken welke woorden of woordgroepen je voor de persoonsvorm kan plaatsen. Als de zin klopt, dan heb je een zinsdeel gevonden.
| Ik | ga | morgen | naar het bos.
| Morgen | ga | ik | naar het bos.
| Naar | ga | ik | morgen | het bos.
| Het | ga | ik | morgen | het bos.
| Naar het | ga | ik | morgen | het bos.
| Naar het bos | ga | ik | morgen.

Slide 10 - Tekstslide

Het onderwerp van een zin.
Het onderwerp geeft aan wie of wat iets doet.
Het onderwerp en de persoonsvorm horen bij elkaar:
  • ze staan meestal naast elkaar;
  • ze staan in hetzelfde getal (enkelvoud of meervoud).

Hoe vind je het onderwerp?
Wie of wat + persoonsvorm.

Slide 11 - Tekstslide

Wat is de pv?
De nieuwsgierige jongen keek stiekem naar de wedstrijd.
A
nieuwsgierige
B
keek
C
stiekem
D
naar

Slide 12 - Quizvraag

Wat is de pv?
Vroeger hebben mijn opa en oma veel gereisd.
A
vroeger
B
veel
C
gereisd
D
hebben

Slide 13 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?
Volgende week gaat mijn zus een dag naar de grote stad.
A
de grote stad
B
een dag
C
mijn zus
D
volgende week

Slide 14 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?
Sabine gaat volgende week op vakantie.
A
Sabine
B
week
C
gaat
D
vakantie

Slide 15 - Quizvraag

Persoonsvorm
Onderwerp
Is altijd een werkwoord
Geeft aan wie of wat iets doet.
Kan van tijd veranderen
Wie of wat + pv
Meestal tweede zinsdeel
Hoort bij de pv

Slide 16 - Sleepvraag

Is alles tot zover duidelijk en kunnen jullie hiermee aan de slag?
😒🙁😐🙂😃

Slide 17 - Poll

Opdrachten
Deze week gaan we aan de slag met de volgende opdrachten:

Hoofdstuk 1.7 grammatica
opdrachten: 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 15.

Slide 18 - Tekstslide