Demonstrative, relative, and interrogative pronouns 5H

Demonstrative, relative and interrogative pronouns
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Demonstrative, relative and interrogative pronouns

Slide 1 - Tekstslide

Today
  • Grammar: demonstrative, relative and interrogative pronouns

Slide 2 - Tekstslide

Demonstrative pronouns
  • Aanwijzend voornaamwoord, dus je wil ergens naar wijzen
  • Eigenlijk vrij simpel: this, that, these and those

  • this:  enkelvoud, dichtbij:                  this table, this student
  • that: enkelvoud, veraf/ ver weg:     that window, that door
  • these: meervoud, dichtbij:               these students/ these chairs
  • those: meervoud, veraf/ ver weg: those people, those houses

Slide 3 - Tekstslide

Do you like ... boy over there?
A
this
B
that
C
these
D
those

Slide 4 - Quizvraag

I'm one of ... people that likes fast food.
A
this
B
that
C
these
D
those

Slide 5 - Quizvraag

This is the best TV show I have seen ... month.
A
this
B
that
C
these
D
those

Slide 6 - Quizvraag

I like ... apples, that's why I have them here.
A
this
B
that
C
these
D
those

Slide 7 - Quizvraag

Now, let's move to the relative pronouns
Relative pronouns zijn 'betrekkelijke voornaamwoorden'.

Ze verwijzen naar personen of dingen die al eerder in een zin genoemd zijn.

Bijvoorbeeld: De man die naar de bakker ging. Dan verwijst het woord die naar de eerder genoemde 'man'. 
Voorbeelden van relative pronouns: who(m), which, that, whose, where, when. 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

This is the boy ... had an accident.
A
who
B
that
C
which
D
whom

Slide 13 - Quizvraag

The person with ... he is talking is the boss.
A
who
B
that
C
which
D
whom

Slide 14 - Quizvraag

Yesterday I saw a car ... was really old.
A
who
B
that
C
which
D
whom

Slide 15 - Quizvraag

Mandy is the girl ... I met on Friday
A
only who
B
which / who / that
C
who / that / -
D
who / that

Slide 16 - Quizvraag

I haven't seen Frank, ... brother is five, for a long time now.
A
who
B
whose
C
which
D
that

Slide 17 - Quizvraag

The sweater, ... he bought online, is pink.
A
who
B
that
C
which
D
whose

Slide 18 - Quizvraag

Interrogative pronouns
  • Interrogative pronouns zijn vragende voornaamwoorden
  • who, whose, whom, what en which 

Slide 19 - Tekstslide

Who, whose and whom
  • Who gebruik je bij personen: Who is that? 

  • Whose gebruik je bij personen en geeft bezit aan: Whose television is that? Whose brother passed his exam?

  • Whom gebruik je bij personen als het geen onderwerp is in de zin, je mag de -m dan ook weglaten. Alleen na een voorzetsel is de -m van whom verplicht:

  • Who(m) did you go out with? With whom did you go out? (want with is dan voorzetsel) 

Slide 20 - Tekstslide

What and which
  • What gebruik je bij een keuze uit een groot of onbeperkt aantal:
    What countries would you like to visit?
    What shows on Netflix do you recommend? 

  • Which gebruik je bij een keuze uit een beperkt aantal:
    Which do you prefer, soaps or documentaries?
    Which Dutch cheese do you like the most? 
     

Slide 21 - Tekstslide