voor extra oefenmateriaal --> voor leesvaardigheid kun je leren én oefenen!
Hoe meer je dat doet, hoe beter je cijfer wordt!
Slide 16 - Tekstslide
Examentip 4a
Gebruik zo min mogelijk je woordenboek.
Wanneer wel?
1. Gatenvraag: antwoorden geen signaalwoorden, dan betreft het echt inhoudelijke woorden.
2. Moeilijke titel: opgelost met plaatje of 1e vraag. Zo niet, overweeg woordenboek, maar misschien helpt 1e alinea.
Slide 17 - Tekstslide
Examentip 4b
Wanneer gebruik je het woordenboek wel?
Als je een antwoord alléén met dat woord kan beoordelen.
Niet: vervoegde werkwoorden en vrouwelijk bijvoeglijk naamwoorden opzoeken!
Hamvraag: heb je het écht nodig?
Slide 18 - Tekstslide
Wat vind jij de moeilijkste type vragen bij een examen Frans?
Slide 19 - Open vraag
Welke 2 Franse signaalwoorden kun je gebruiken als ''dus''?
A
parce que
B
donc
C
alors
D
car
Slide 20 - Quizvraag
Welk signaalwoord geeft GEEN TEGENSTELLING aan?
A
malgré
B
pourtant
C
sûrement
D
mais
Slide 21 - Quizvraag
Na dit signaalwoord komt een voorbeeld of uitleg
A
ainsi
B
aussi
C
bref
D
surtout
Slide 22 - Quizvraag
Welk signaalwoord geeft GEEN OPSOMMING aan?
A
car
B
d'abord
C
de plus
D
ensuite
Slide 23 - Quizvraag
Welk signaalwoord geeft GEEN BEVESTIGING aan?
A
sûrement
B
évidemment
C
certainement
D
par contre
Slide 24 - Quizvraag
Welk signaalwoord leidt een reden in?
A
pendant
B
parce que
C
enfin
D
alors
Slide 25 - Quizvraag
Welk signaalwoord geeft GEEN conclusie aan?
A
bref
B
donc
C
pourtant
D
enfin
Slide 26 - Quizvraag
Vul het passende signaalwoord in: J'ai fait mes exercices, j'ai appris le vocabulaire, ..... je suis bien préparé!
A
bref
B
en plus
C
parce que
D
par contre
Slide 27 - Quizvraag
Wat betekent 'pas mal de'?
A
niet slecht
B
best veel
C
slecht
Slide 28 - Quizvraag
Welk signaalwoord past? D'abord on a bu du coca, ______ on a mangé un sandwich.
A
donc
B
alors
C
par contre
D
puis
Slide 29 - Quizvraag
Begrijp jij deze examenvragen?
- Qu'est ce qu'on apprend au premier alinéa?
- Qu'est-ce qui est vrai selon les deux premiers alinéas?
- A quoi sert le quatrième alinéa? (décrire, montrer, ...)
- Qu'est-ce que l'auteur raconte au premier alinéa?
- Quel est le but ...?
- Qu'est-ce qu'on apprend sur .... au dernier alinéa?
Slide 30 - Tekstslide
1. Fouten gemaakt door ontkenning:
ne... pas
Ne... pas = niet / geen Ne... jamais = nooit
Ne... plus = niet meer Ne... personne = niemand
Ne... aucun = geen enkel Ni...ni = noch....noch
Ne... pas encore = nog niet
Ne … guère = nauwelijks
Slide 31 - Tekstslide
Attention!
Ne... que = slechts, alleen maar
Je n'ai pas trois euros
Je n'ai que trois euros
Slide 32 - Tekstslide
Foute antwoorden in examens (die je NIET moet kiezen)
A- lijkt op wat in de tekst staat, maar klopt nét niet.
B- antwoord staat in een andere alinea dan gevraagd / vermeld wordt
Slide 33 - Tekstslide
Waar vind je in het woordenboek de vertaling van: "ils savouraient"?
Slide 34 - Open vraag
Waar vind je in het woordenboek de vertaling van: "les gourmandises"?
Slide 35 - Open vraag
Waar vind je in het woordenboek de vertaling van: "divine"?
Slide 36 - Open vraag
VEEL VOORKOMENDE VRAAG: Comment cette phrase se rapporte-t-elle au contenu de la phrase qui précède ?
Elle en indique la conséquence
Elle l’affaiblit (= afzwakken)
Elle l’explique Elle s’y oppose
Elle l’illustre Elle en donne la cause
Elle l'élabore (uitwerken) Elle le contredit
Slide 37 - Tekstslide
De quel ton l’auteur parle-t-il ici ?
Calme Dramatique
Étonné Indifférent
Ironique Cynique
Indigné Menaçant
Moqueur Optimiste
Pessimiste
Slide 38 - Tekstslide
Par quel mot cette phrase aurait-elle pu commencer ?
Bref, D’ailleurs, = trouwens
Ensuite, Pourtant
Car Donc
Mais Même
🡪 Importance des connecteurs logiques !
Slide 39 - Tekstslide
Algemeen stappenplan VOORDAT je vragen van het examen gaat beantwoorden:
1. Bekijk vluchtig het HELE examen (hoeveel teksten, hoeveel vragen).
2. Begin met het examen (tekst naar keuze, volgorde maakt niks uit).
3. Lees ALTIJD eest de titel en ga NOOIT verder met lezen tot de titel helemaal duidelijk is!
4. Bekijk nu alles boven en onder de hoofdtekst (inleiding, bron, plaatjes etc.).
5. Bedenk: wat weet ik hier al van? (voorkennis)
6. Bekijk vervolgens de vragen bij de tekst en bepaal met wat voor type tekst je te maken hebt.
7. Ga vanaf daar verder met de tips per type tekst
Slide 40 - Tekstslide
Open vragen
Noem 2 dingen – vaak gaat het om een uitbreiding “bovendien” 🡪 1 ervoor en 1 erna
ensuite, aussi, en plus, en outre, surtout, d’ailleurs, etc.
Slide 41 - Tekstslide
1. Juist / onjuist-vragen
Bij juist / onjuist-vragen moet je van meerdere - meestal drie - beweringen nagaan of ze overeenkomen met een deel van de tekst / een alinea.
1. Lees de beweringen zorgvuldig en markeer kernwoorden.
2. Zoek het tekstgedeelte op waarnaar wordt verwezen.
3. Lees het betreffende gedeelte nauwkeurig door en vergelijk het met de beweringen. De beweringen staan meestal in volgorde van de tekst. LET OP DE GEMARKEERDE KERNWOORDEN EN/OF SYNONIEMEN VAN DEZE WOORDEN
4. Vind je bewijzen in de tekst dat de volledige bewering klopt? Dan is deze bewering juist. Klopt de bewering maar deels, dan is hij onjuist.
5. Kun je niets vinden in de tekst over één van de beweringen? Dan is deze bewering onjuist.
6. Noteer het nummer van de beweringen op je antwoordblad met juist of onjuist erachter.
Slide 42 - Tekstslide
Oefenen met juist/onjuist
VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 2 vraag 3 - Tekst 6 vraag 20
- Tekst 3 vraag 9 - Tekst 7 vraag 23
- Tekst 4 vraag 15 - Tekst 8 vraag 29
- Tekst 5 vraag 16 - Tekst 9 vraag 36
Slide 43 - Tekstslide
ABCD-vragen – "grote lijnvragen"
Wat is het? (wie, waarom, nieuwsartikel, interview) – grote lijn
Vraag 1: introductie onderwerp:
Titel + Plaatje óf open vraag die de grote lijn aangeeft (info in vraag 1!)
Slide 44 - Tekstslide
Exemples
Par exemple 🡪 ainsi, illustrer, comme
Illustreert = plaatje in woorden
Open vraag met het woord ‘concreet’ 🡪 zoek het voorbeeld in de cito tekst (namen, getallen, data, plaatsen etc.)
Slide 45 - Tekstslide
ABCD – textes - expertvragen
Kijk tussen de aanhalingstekens (per taal verschillend!) …...»
Selon....
D'après Macron.....
X a affirmé que ....
X a dit que ....
A souligne que .....
Slide 46 - Tekstslide
2. Meerkeuzevragen
Ongeveer 2/3 van de examenvragen is meerkeuzevragen. Deze pak je als volgt aan.
1. Lees de meerkeuzevraag (alleen de vraag, nog NIET de antwoorden).
2. Bepaal in welk tekstgedeelte je het antwoord op de vraag moet zoeken en lees dit stukje nauwkeurig door. Zoek daar de aanwijzingen die belangrijk zijn voor het beantwoorden van de vraag. Onderstreep die aanwijzingen in de tekst. Zoek ook naar SYNONIEMEN.
3. Probeer in gedachten zelf een antwoord op de vraag te formuleren.
4. Lees nu de antwoordopties nauwkeurig door en zorg dat je ze begrijpt (DUS NIET IEDER WOORD OPZOEKEN). Vergelijk ze met het door jezelf bedachte antwoord en kies de antwoordoptie die hier het meest op lijkt.
5. Als je niet direct het juiste antwoord op de vraag kunt vinden tussen de gegeven mogelijkheden, pas dan de eliminatiemethode toe >>> onjuiste antwoorden wegstrepen.
Slide 47 - Tekstslide
Oefenen met meerkeuze
VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 1 vraag 2 - Tekst 7 vraag 21, 22
- Tekst 2 vraag 4, 5, 6, 7, 8, 10
- Tekst 11 vraag 12, 13 - Tekst 9 vraag 32, 33, 34, 35
- Tekst 6 vraag 17, 18, 19 - Tekst 10 vraag 38
Slide 48 - Tekstslide
3. Invulvragen bij gatentekst
1. Lees de tekst tot het gat globaal om te begrijpen waar het over gaat. Zorg ervoor dat de grote lijn van de tekst duidelijk is.
2. Lees de zin waarin de open plek voorkomt nauwkeurig door. Lees ook het tekstgedeelte vóór en ná de open plek.
3. Kijk nog niet naar de antwoordopties, maar bepaal eerst welk verband er is tussen het deel vóór en ná de open plek.
4. Bepaal welke woordsoort je in moet vullen (signaalwoord, werkwoord, zelfstandig naamwoord) en verzin zelf een woord dat je passend lijkt op deze open plek.
5. Vertaal de antwoordopties in het Nederlands en kies het woord dat het meeste lijkt op het woord dat je zelf had bedacht.
6. Controleer je antwoord door het gekozen woord in de zin in te vullen en te kijken of deze past.
Slide 49 - Tekstslide
Op zoek naar verbanden? Tips...
- Staat de open plek aan het einde van de alinea? Dan zou een signaalwoord dat een opsommend verband aangeeft niet logisch zijn. Een signaalwoord dat een concluderend verband aangeeft (bref, pour conclure, donc) zou in dit geval logischer zijn.
- Staat de open plek na een zin waarin een bewering wordt gedaan? Dan zou het kunnen dat deze bewering door middel van een voorbeeld geïllustreerd wordt (par exemple, ainsi, comme) of dat er een uitleg wordt gegeven voor deze bewering (car, parce que, c'est pourquoi)
Slide 50 - Tekstslide
Oefenen met gatentekst
VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 4 vraag 14 Tekst 11 vraag 39
- Tekst 7 vraag 24
- Tekst 8 vraag 26, 31
- Tekst 10 vraag 37
Slide 51 - Tekstslide
4. Open vragen
Open vragen worden in het Cito-examen altijd in het Nederlands gesteld. Je beantwoordt deze vragen ook in het Nederlands, tenzij er om een citaat gevraagd wordt uit de tekst.
Er zijn drie soorten open vragen die je kunt tegenkomen in het examen:
- open vraag waarbij je in het Nederlands een antwoord moet formuleren
- open vraag waarbij je antwoordt met een citaat uit de tekst
- open vraag waarbij je één gegeven (bijvoorbeeld de naam van een persoon) moet geven
Slide 52 - Tekstslide
Open vragen aanpak
1. Lees de open vraag nauwkeurig. Vertaal eventuele citaten.
2. Ga na welke informatie wordt gevraagd in de opdracht en benoem dit voor jezelf. Bedenk vervolgens naar wat voor soort informatie je moet zoeken in de tekst. Structuurwoorden (oorzaak, voorbeeld)? Woorden met een positieve of negatieve strekking? Een bepaald thema?
3. Ga vervolgens op zoek naar die informatie in de tekst en onderstreep het tekstgedeelte waar je denkt dat het antwoord zich bevindt.
4. Formuleer je antwoord.
- Als je in het Nederlands een antwoord moet formuleren, vertaal je eerst letterlijk het tekstgedeelte. Zet daarna de letterlijk vertaalde zin om naar een lopende zin in correct Ned.
- Als er om een citaat wordt gevraagd, schrijf je de eerste (twee) woorden van het citaat op.
- Als er om één gegeven wordt gevraagd, schrijf je alléén dat ene gegeven op.
Slide 53 - Tekstslide
Oefenen met openvragen
VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 8 vraag 27, 28, 30
- Tekst 11 vraag 40
Slide 54 - Tekstslide
Welke foute antwoorden stopt het Cito in zijn examens zodat ze hopen dat je op het verkeerde been wordt gebracht (maar dat dus niet doet, omdat ik je deze verklap) ?
Slide 55 - Woordweb
Foute antwoorden van het CITO
- Compleet verzonnen antwoord "pindakaasantwoord"
- Het antwoord lijkt op het juiste antwoord: nog niet, meer (plus – le plus)
- komt wel voor in tekst maar niet de kern (van de hoofdgedachte), is vaak een voorbeeld
- het tegenovergestelde : ne... pas, ne... personne, ne... que etc.