Examentraining Frans H/V 2025 Kennemer Lyceum

VWO6: Cours de français
Lesdoelen:
Na deze les ben je in staat:

- verschillende vraagsoorten in een eindexamen te herkennen
- verschillende strategieën toe te passen om een examenvraag te beantwoorden
- weet je wat een pindakaasvraag is  :


1 / 56
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 5,6

In deze les zitten 56 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

VWO6: Cours de français
Lesdoelen:
Na deze les ben je in staat:

- verschillende vraagsoorten in een eindexamen te herkennen
- verschillende strategieën toe te passen om een examenvraag te beantwoorden
- weet je wat een pindakaasvraag is  :


Slide 1 - Tekstslide

CSE FRANS

Examentraining
Leesvaardigheid

Kennemer Lyceum
maart 2025


Slide 2 - Tekstslide

Voorbereiding CSE
A.Algemeen + onderwerpen (X)
B.Examenvocabulaire + woordenboek  (X)
C. Strategieën (X)
D. Vraagsoorten (X)


Oefening baart kunst!!

Slide 3 - Tekstslide

Leesvaardigheid
In het centraal examen Frans wordt
alleen leesvaardigheid getoetst.
Leesvaardigheid bepaalt dus 50%
van jouw eindcijfer.

Het examen duurt 2,5 uur.

Slide 4 - Tekstslide

Leesvaardigheid tips & tricks
Wat wil het CITO?
Grote lijn van het verhaal kunnen volgen
Signaalwoorden herkennen en analyseren
Mening van "experts" begrijpen
Voorbeelden herkennen
Foute antwoorden herkennen
Als dit allemaal redelijk lukt: 5,5 à 6 

Slide 5 - Tekstslide

Centraal examen Frans
  • 10 - 15 teksten
  • 40 - 45 vragen
  • 2/3 meerkeuzevragen in het Frans
  • 1/3 open vragen in het Nederlands
  • Allerlei tekstsoorten: advertenties, krantenartikelen, brieven, enquêtes, folders, interviews, boekbesprekingen

Slide 6 - Tekstslide

Examenonderwerpen
milieu
duurzaamheid
sport
tradities
feesten
Grote Franse steden
Stripverhalen



social media
eten & drinken
vakantie
reizen
kunst
geschiedenis
school

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

B.Examenvocabulaire + woordenboek



 Comment cette phrase se rapporte-t-elle à la phrase suivante?
Elle en indique la conséquence
Elle l’affaiblit (faible = zwak)
Elle l’explique
Elle s’y oppose
Elle l’illustre
Elle en donne la cause
Elle l'élabore (uitbreiden)
Elle le contredit


Slide 12 - Tekstslide

Par quel mot cette phrase aurait-elle pu commencer ?



Bref,                                           D’ailleurs,
Ensuite,                                   Pourtant
Car                                             Donc
Mais                                          Même


🡪 Importance des connecteurs logiques !
 

Slide 13 - Tekstslide

Examentip 1
Je mag in de examens schrijven, strepen, markeren etc.

Maak daar gebruik van!
Als je bijv. een woord opzoekt in het woordenboek, schrijf de betekenis van dat woord in de tekst op.

Slide 14 - Tekstslide

Examentip 2
Het goede antwoord staat vaak in de eerste of laatste zin van de alinea/in de buurt van een signaalwoord/na een dubbele punt:
E.L.Z.A.


Slide 15 - Tekstslide

Examentip 3
Kijk op https://www.alleexamens.nl/examens/VWO/Frans/ 
voor  extra oefenmateriaal --> voor leesvaardigheid kun je leren én oefenen!
Hoe meer je dat doet, hoe beter je cijfer wordt!

Slide 16 - Tekstslide

Examentip 4a
Gebruik zo min mogelijk je woordenboek
Wanneer wel? 
1. Gatenvraag: antwoorden geen signaalwoorden, dan betreft het echt inhoudelijke woorden.
2. Moeilijke titel: opgelost met plaatje of 1e vraag. Zo niet, overweeg woordenboek, maar misschien helpt 1e alinea.


Slide 17 - Tekstslide

Examentip 4b
Wanneer gebruik je het woordenboek wel? 
Als je een antwoord alléén met dat woord kan beoordelen. 

Niet: vervoegde werkwoorden en vrouwelijk bijvoeglijk naamwoorden opzoeken!
Hamvraag: heb je het écht nodig? 


Slide 18 - Tekstslide

Wat vind jij de moeilijkste type vragen bij een examen Frans?

Slide 19 - Open vraag

Welke 2 Franse signaalwoorden kun je gebruiken als ''dus''?
A
parce que
B
donc
C
alors
D
car

Slide 20 - Quizvraag

Welk signaalwoord geeft GEEN TEGENSTELLING aan?
A
malgré
B
pourtant
C
sûrement
D
mais

Slide 21 - Quizvraag

Na dit signaalwoord komt een voorbeeld of uitleg
A
ainsi
B
aussi
C
bref
D
surtout

Slide 22 - Quizvraag

Welk signaalwoord geeft GEEN OPSOMMING aan?
A
car
B
d'abord
C
de plus
D
ensuite

Slide 23 - Quizvraag

Welk signaalwoord geeft GEEN BEVESTIGING aan?
A
sûrement
B
évidemment
C
certainement
D
par contre

Slide 24 - Quizvraag

Welk signaalwoord leidt een reden in?
A
pendant
B
parce que
C
enfin
D
alors

Slide 25 - Quizvraag

Welk signaalwoord geeft GEEN conclusie aan?
A
bref
B
donc
C
pourtant
D
enfin

Slide 26 - Quizvraag

Vul het passende signaalwoord in:
J'ai fait mes exercices, j'ai appris le vocabulaire, ..... je suis bien préparé!
A
bref
B
en plus
C
parce que
D
par contre

Slide 27 - Quizvraag

Wat betekent 'pas mal de'?
A
niet slecht
B
best veel
C
slecht

Slide 28 - Quizvraag

Welk signaalwoord past?
D'abord on a bu du coca, ______ on a mangé un sandwich.
A
donc
B
alors
C
par contre
D
puis

Slide 29 - Quizvraag

Begrijp jij deze examenvragen?
- Qu'est ce qu'on apprend au premier alinéa?
- Qu'est-ce qui est vrai selon les deux premiers alinéas?
- A quoi sert le quatrième alinéa? (décrire, montrer, ...)
- Qu'est-ce que l'auteur raconte au premier alinéa?
- Quel est le but ...?
- Qu'est-ce qu'on apprend sur ....  au dernier alinéa?

Slide 30 - Tekstslide

1. Fouten gemaakt door ontkenning: 
ne... pas
Ne... pas = niet / geen                         Ne... jamais = nooit
Ne... plus = niet meer                          Ne... personne = niemand
Ne... aucun = geen enkel                   Ni...ni = noch....noch
Ne... pas encore = nog niet
Ne … guère = nauwelijks



Slide 31 - Tekstslide

Attention!


Ne... que = slechts, alleen maar
Je n'ai pas trois euros
Je n'ai que trois euros



Slide 32 - Tekstslide

Foute antwoorden in examens (die je NIET moet kiezen)


A- lijkt op wat in de tekst staat, maar klopt nét niet.
B- antwoord staat in een andere alinea dan gevraagd  / vermeld wordt

Slide 33 - Tekstslide

Waar vind je in het woordenboek de vertaling van: "ils savouraient"?

Slide 34 - Open vraag

Waar vind je in het woordenboek de vertaling van: "les gourmandises"?

Slide 35 - Open vraag

Waar vind je in het woordenboek de vertaling van: "divine"?

Slide 36 - Open vraag

VEEL VOORKOMENDE VRAAG: Comment cette phrase se rapporte-t-elle au contenu de la phrase qui précède ?



Elle en indique la conséquence
Elle l’affaiblit (= afzwakken)
Elle l’explique                                    Elle s’y oppose
Elle l’illustre                                       Elle en donne la cause
Elle l'élabore (uitwerken)             Elle le contredit


Slide 37 - Tekstslide

De quel ton l’auteur parle-t-il ici ?
Calme                                                                         Dramatique
Étonné                                                                        Indifférent
Ironique                                                                     Cynique
Indigné                                                                      Menaçant
Moqueur                                                                   Optimiste
Pessimiste

Slide 38 - Tekstslide

Par quel mot cette phrase aurait-elle pu commencer ?



Bref,                                               D’ailleurs, = trouwens
Ensuite,                                        Pourtant
Car                                                 Donc
Mais                                              Même

🡪 Importance des connecteurs logiques !
 

Slide 39 - Tekstslide

Algemeen stappenplan VOORDAT je vragen van het examen gaat beantwoorden:
1. Bekijk vluchtig het HELE examen (hoeveel teksten, hoeveel vragen).
2. Begin met het examen (tekst naar keuze, volgorde maakt niks uit).
3. Lees ALTIJD eest de titel en ga NOOIT verder met lezen tot de titel helemaal duidelijk is!
4. Bekijk nu alles boven en onder de hoofdtekst (inleiding, bron, plaatjes etc.).
5. Bedenk: wat weet ik hier al van? (voorkennis)
6. Bekijk vervolgens de vragen bij de tekst en bepaal met wat voor type tekst je te maken hebt.
7. Ga vanaf daar verder met de tips per type tekst

Slide 40 - Tekstslide

Open vragen

Noem 2 dingen – vaak gaat het om een uitbreiding “bovendien” 🡪 1 ervoor en 1 erna 
ensuite, aussi, en plus, en outre, surtout, d’ailleurs, etc.

Slide 41 - Tekstslide

1. Juist / onjuist-vragen
Bij juist / onjuist-vragen moet je van meerdere - meestal drie - beweringen nagaan of ze overeenkomen met een deel van de tekst / een alinea.
1. Lees de beweringen zorgvuldig en markeer kernwoorden.
2. Zoek het tekstgedeelte op waarnaar wordt verwezen.
3. Lees het betreffende gedeelte nauwkeurig door en vergelijk het met de beweringen. De beweringen staan meestal in volgorde van de tekst. LET OP DE GEMARKEERDE KERNWOORDEN EN/OF SYNONIEMEN VAN DEZE WOORDEN
4. Vind je bewijzen in de tekst dat de volledige bewering klopt? Dan is deze bewering juist. Klopt de bewering maar deels, dan is hij onjuist.
5. Kun je niets vinden in de tekst over één van de beweringen? Dan is deze bewering onjuist.
6. Noteer het nummer van de beweringen op je antwoordblad met juist of onjuist erachter.

Slide 42 - Tekstslide

Oefenen met juist/onjuist

VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 2 vraag 3                                            - Tekst 6 vraag 20
- Tekst 3 vraag 9                                            - Tekst 7 vraag 23
- Tekst 4 vraag 15                                          - Tekst 8 vraag 29
- Tekst 5 vraag 16                                          - Tekst 9 vraag 36

Slide 43 - Tekstslide

ABCD-vragen – "grote lijnvragen"



Wat is het? (wie, waarom, nieuwsartikel, interview) – grote lijn

Vraag 1: introductie onderwerp:
Titel + Plaatje óf open vraag die de grote lijn aangeeft (info in vraag 1!)

Slide 44 - Tekstslide

Exemples

Par exemple 🡪 ainsi, illustrer, comme
Illustreert = plaatje in woorden
Open vraag met het woord ‘concreet’ 🡪 zoek het voorbeeld in de cito tekst (namen, getallen, data, plaatsen etc.)

Slide 45 - Tekstslide

ABCD – textes - expertvragen

Kijk tussen de aanhalingstekens (per taal verschillend!) …...»

Selon....
D'après Macron.....
X a affirmé que ....
X a dit que ....
A souligne que .....



Slide 46 - Tekstslide

2. Meerkeuzevragen
Ongeveer 2/3 van de examenvragen is meerkeuzevragen. Deze pak je als volgt aan.
1. Lees de meerkeuzevraag (alleen de vraag, nog NIET de antwoorden).
2. Bepaal in welk tekstgedeelte je het antwoord op de vraag moet zoeken en lees dit stukje nauwkeurig door. Zoek daar de aanwijzingen die belangrijk zijn voor het beantwoorden van de vraag. Onderstreep die aanwijzingen in de tekst. Zoek ook naar SYNONIEMEN.
3. Probeer in gedachten zelf een antwoord op de vraag te formuleren.
4. Lees nu de antwoordopties nauwkeurig door en zorg dat je ze begrijpt (DUS NIET IEDER WOORD OPZOEKEN). Vergelijk ze met het door jezelf bedachte antwoord en kies de antwoordoptie die hier het meest op lijkt.
5. Als je niet direct het juiste antwoord op de vraag kunt vinden tussen de gegeven mogelijkheden, pas dan de eliminatiemethode toe >>> onjuiste antwoorden wegstrepen.

Slide 47 - Tekstslide

Oefenen met meerkeuze

VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 1 vraag 2                                           - Tekst 7 vraag 21, 22                       
- Tekst 2 vraag 4, 5, 6, 7, 8, 10                 
- Tekst 11 vraag 12, 13                                 - Tekst 9 vraag 32, 33, 34, 35
- Tekst 6 vraag 17, 18, 19                            - Tekst 10 vraag 38

Slide 48 - Tekstslide

3. Invulvragen bij gatentekst
1. Lees de tekst tot het gat globaal om te begrijpen waar het over gaat. Zorg ervoor dat de grote lijn van de tekst duidelijk is.
2. Lees de zin waarin de open plek voorkomt nauwkeurig door. Lees ook het tekstgedeelte vóór en ná de open plek.
3. Kijk nog niet naar de antwoordopties, maar bepaal eerst welk verband er is tussen het deel vóór en ná de open plek.
4. Bepaal welke woordsoort je in moet vullen (signaalwoord, werkwoord, zelfstandig naamwoord) en verzin zelf een woord dat je passend lijkt op deze open plek.
5. Vertaal de antwoordopties in het Nederlands en kies het woord dat het meeste lijkt op het woord dat je zelf had bedacht.
6. Controleer je antwoord door het gekozen woord in de zin in te vullen en te kijken of deze past.

Slide 49 - Tekstslide

Op zoek naar verbanden? Tips...
- Staat de open plek aan het einde van de alinea? Dan zou een signaalwoord dat een opsommend verband aangeeft niet logisch zijn. Een signaalwoord dat een concluderend verband aangeeft (bref, pour conclure, donc) zou in dit geval logischer zijn.
- Staat de open plek na een zin waarin een bewering wordt gedaan? Dan zou het kunnen dat deze bewering door middel van een voorbeeld geïllustreerd wordt (par exemple, ainsi, comme) of dat er een uitleg wordt gegeven voor deze bewering (car, parce que, c'est pourquoi)

Slide 50 - Tekstslide

Oefenen met gatentekst

VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 4 vraag 14                                             Tekst 11 vraag 39
- Tekst 7 vraag 24
- Tekst 8 vraag 26, 31
- Tekst 10 vraag 37


Slide 51 - Tekstslide

4. Open vragen
Open vragen worden in het Cito-examen altijd in het Nederlands gesteld. Je beantwoordt deze vragen ook in het Nederlands, tenzij er om een citaat gevraagd wordt uit de tekst.
Er zijn drie soorten open vragen die je kunt tegenkomen in het examen:
- open vraag waarbij je in het Nederlands een antwoord moet formuleren
- open vraag waarbij je antwoordt met een citaat uit de tekst
- open vraag waarbij je één gegeven (bijvoorbeeld de naam van een persoon) moet geven

Slide 52 - Tekstslide

Open vragen aanpak
1. Lees de open vraag nauwkeurig. Vertaal eventuele citaten.
2. Ga na welke informatie wordt gevraagd in de opdracht en benoem dit voor jezelf. Bedenk vervolgens naar wat voor soort informatie je moet zoeken in de tekst. Structuurwoorden (oorzaak, voorbeeld)? Woorden met een positieve of negatieve strekking? Een bepaald thema?
3. Ga vervolgens op zoek naar die informatie in de tekst en onderstreep het tekstgedeelte waar je denkt dat het antwoord zich bevindt.
4. Formuleer je antwoord.
- Als je in het Nederlands een antwoord moet formuleren, vertaal je eerst letterlijk het tekstgedeelte. Zet daarna de letterlijk vertaalde zin om naar een lopende zin in correct Ned.
- Als er om een citaat wordt gevraagd, schrijf je de eerste (twee) woorden van het citaat op.
- Als er om één gegeven wordt gevraagd, schrijf je alléén dat ene gegeven op.

Slide 53 - Tekstslide

Oefenen met openvragen

VWO: examen vwo 2023 tijdvak 1
- Tekst 8 vraag 27, 28, 30
- Tekst 11 vraag 40



Slide 54 - Tekstslide

Welke foute antwoorden stopt het Cito in zijn examens zodat ze hopen dat je op het verkeerde been wordt gebracht (maar dat dus niet doet, omdat ik je deze verklap) ?

Slide 55 - Woordweb

Foute antwoorden van het CITO
- Compleet verzonnen antwoord "pindakaasantwoord"
- Het antwoord lijkt op het juiste antwoord: nog niet, meer (plus – le plus)
- komt wel voor in tekst maar niet de kern (van de hoofdgedachte), is vaak een voorbeeld
- het tegenovergestelde : ne... pas, ne... personne, ne... que etc.

Slide 56 - Tekstslide