Voltooide tijd regelmatige werkwoorden;.hebben en zijn

De voltooide tijd
Iets wat al geweest is. 
Het is allemaal gebeurd
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 55 min

Onderdelen in deze les

De voltooide tijd
Iets wat al geweest is. 
Het is allemaal gebeurd

Slide 1 - Tekstslide

Voltooide tijd maken met hebben en zijn

Slide 2 - Tekstslide

Vaak:

Maak je de voltooide tijd met ''hebben''

Slide 3 - Tekstslide

Vaak:

Maak je de voltooide tijd met ''hebben''

Slide 4 - Tekstslide

Ik heb gefietst
Jij hebt gefietst

Slide 5 - Tekstslide

Zij heeft gewerkt
Wij hebben gewerkt

Slide 6 - Tekstslide

Uitzonderingen ''Komen en gaan''


Altijd met 'zijn''

Slide 7 - Tekstslide

Komen
Wij zijn naar school gekomen.
Jullie zijn naar Nederland gekomen. 

Slide 8 - Tekstslide

Gaan

U bent naar de tandarts gegaan.
Hij is naar de bakker gegaan. 

Slide 9 - Tekstslide

Gebeuren, mislukken en slagen
Ook met ''zijn'' vervoegen. 

Slide 10 - Tekstslide

Gebeuren
Het is gebeurd.

Slide 11 - Tekstslide

Mislukken --dan gebruik je 'zijn''.
Wat is de voltooide tijd van ''Het mislukt'' ?
A
Het heeft mislukt.
B
Het is mislukt.
C
Hij heeft mislukt
D
Zij heeft mislukt.

Slide 12 - Quizvraag

Slagen
Het is geslaagd (het project is geslaagd). 
Hij is geslaagd (voor de toets). 

Slide 13 - Tekstslide

Wat is de voltooide tijd van:
""Hij slaagt" (voor de toets)?
A
Hij heeft geslaagd
B
Hij is geslagen
C
Zij is geslaagd
D
Hij is geslaagd

Slide 14 - Quizvraag

Wat is de voltooide tijd van:
'Het gebeurt''
A
Het is gebeurd
B
Zij is gebeurd
C
Het heeft gebeurd
D
Hij heeft gebeurd

Slide 15 - Quizvraag

Ook bij zinnen  met 'naar...''
Gebruik je ''zijn''---
ik ben naar school gegaan.
Wij zijn naar school gegaan. 

Slide 16 - Tekstslide

Allebei goed! 
-Ik heb gefietst
-Ik ben naar school gefietst. 

Slide 17 - Tekstslide

Samengevat
Komen, gaan, mislukken, gebeuren en slagen:
Je gebruikt ''zijn'''.
En in zinnen met ''naar'' 

Slide 18 - Tekstslide

ben/bent/is/zijn/zijn/zijn

Jullie zijn gekomen. Wij zijn gegaan.
Het is mislukt. Het is gebeurd. Hij is geslaagd. 

Slide 19 - Tekstslide

QUIZ
Werk nu in duo's
We gaan kijken welk duo de vragen het beste maakt! 

Slide 20 - Tekstslide

VAAK maak je de voltooide tijd met?
A
zijn
B
hebben en zijn
C
hebben
D
Hoe moet ik dat weten?

Slide 21 - Quizvraag

SOMS maak je de voltooide tijd met
A
zijn
B
hebben
C
zijn en hebben
D
ik weet het niet

Slide 22 - Quizvraag

Wat is de voltooide tijd van:
Hij gaat
A
Hij is gegaan
B
Hij heeft gegaan
C
Hij gegaan
D
gegaan

Slide 23 - Quizvraag

Wat is de voltooide tijd van:
'Wij komen''
A
Wij hebben gekomen.
B
Kom kom kom, wat een rare vraag.
C
Wij gekomen
D
Wij zijn gekomen.

Slide 24 - Quizvraag

Wat is de voltooide tijd van:
"Het eten mislukt."
A
Weet ik veel.
B
Het eten mislukte.
C
Het eten is mislukt
D
Het eten heeft mislukt.

Slide 25 - Quizvraag

Wat is de voltooide tijd van:
Alles gebeurt met een reden.
A
Alles is gebeurd met een reden.
B
Alles is gebeurt met een reden.
C
Alles heeft gebeurd met een reden.
D
Alles heeft gebeurt met een reden.

Slide 26 - Quizvraag

Wat is de voltooide tijd van:
''Jullie slagen voor deze quiz.''
A
Jullie hebben geslaagd voor deze quiz.
B
Jullie hebben geslaagt voor deze quiz.
C
Jullie zijn geslaagt voor deze quiz.
D
Jullie zijn geslaagd voor deze quiz.

Slide 27 - Quizvraag