3.4 Geslachtschromosomen (X-chromosomale overerving)

3.4 Geslachtschromosomen
Inhoud van de les
  • herhaling 3.1 t/m 3.3
  • checkvragen 3.1 t/m 3.3
  • uitleg 3.4 of uitlegvideo
  • actie: lezen en maken 3.4 (huiswerk)
  • checkvragen 3.4
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

3.4 Geslachtschromosomen
Inhoud van de les
  • herhaling 3.1 t/m 3.3
  • checkvragen 3.1 t/m 3.3
  • uitleg 3.4 of uitlegvideo
  • actie: lezen en maken 3.4 (huiswerk)
  • checkvragen 3.4

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fenotype



  • Alle waarneembare kenmerken bij een individu. 
  • komt tot stand door genotype en milieu
Genotype



  • Alle erfelijke eigenschappen van een individu.
  • komt tot stand tijdens de bevruchting.
herhaling 3.1 t/m 3.3
Aa

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gen en allel
gen = stuk dna codeert voor 1 eigenschap
  • chromosomen komen in paren voor, dus genen ook

allel = één van de verschillende varianten van een gen

2 homologen chromosomen
herhaling 3.1 t/m 3.3

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Homozygoot: allebei de genen zijn hetzelfde  



Heterozygoot:
de genen zijn verschillend
herhaling 3.1 t/m 3.3

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

dominant allel: dit gen komt tot uiting
  • notatie = hoofdletter A
recessief allel: komt alleen tot uiting wanneer er geen dominant allel aanwezig is
  • notatie = zelfde letter, maar dan klein a

dominant allel: dit gen komt tot uiting
  • hoofdletter (A)

recessief allel: komt alleen tot uiting wanneer er geen dominant allel aanwezig is
  • dezelfde letter als bij dominant
  • maar dan geen hoofdletter (a)
herhaling 3.1 t/m 3.3

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

A = bruin, a = blond
                                               vrouw:          man:
P:                fenotype:            bruin  x   bruin
                   genotype:               Aa    x      Aa
Geslachtscellen:                    A of a       A of a

Kruisingsschema
A
a
A
AA
Aa
a
Aa
aa
herhaling 3.1 t/m 3.3

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1

2

3
herhaling 3.1 t/m 3.3

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

onvolledig dominant
een recessief allel dat bij een heterozygoot individu een beetje tot uiting komt in het fenotype

intermediair fenotype
beide allelen komen in een mengvorm tot uiting in het fenotype

codominantie
beide allelen komen volledig tot uiting in het fenotype
fenotype              notatie
aa
AA
Aa







ARAR : rood
ARAW :roze
AWAW: wit


ARAR : rood
AWAW: wit
AWAR = rood met witte vlekken

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Checkvragen 3.1 t/m 3.3
pen en papier bij de hand
maak zo veel mogelijk kruisingsschema's
hoe meer je oefent, hoe beter de toets zal gaan

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Allelen
Dominant
Recessief
Intermediar
Monohybride
Gen

Stukje DNA dat codeert voor een erfelijke eigenschap

van toepassing op een allel dat in een heterozygoot individu in het fenotype tot uitdrukking komt (en dat het recessieve allel onderdrukt)

tussenvorm, waarin beide of meerdere allelen van een bepaald gen in een fenotype tot uitdrukking komen.

van toepassing op een allel dat in een heterozygoot individu in het fenotype niet tot uitdrukking komt doordat het door het dominante allel onderdrukt wordt.

Bepaalde variant van een gen
 
kruising waarbij gelet wordt op de overerving van een enkel gen. 

Slide 10 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Pjotr zijn lettercode voor haarkleur is Aa. Zijn haar is bruin. Is de kleur voor zijn haar dominant of recessief?
A
Dominant
B
Recessief

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het gen voor taaislijmziekte is ...
A
Dominant
B
Recessief
C
Kan ik niet uit deze stamboom halen
D
Nog nooit van die woorden gehoord

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Monohybride kruising
Een plant met grote bladeren wordt gekruist met een plant met kleine bladeren. Alle nakomelingen blijken kleine bladeren te hebben.
Wat is dominant en wat zijn de genotypen van de ouders?
A
Grote bladeren AA x aa
B
Grote bladeren Aa x aa
C
Kleine bladeren AA x aa
D
Kleine bladeren Aa x aa

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Deze twee ouders (zie plaatje) krijgen een kind.
Het kind heeft blond haar.
Blond haar is recessief.
Wat is het genotype van de ouders?
A
bb x bb
B
Bb x Bb
C
BB x bb
D
Bb x bb

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de verhouding van het fenotype in de F1?
A
rood:wit 1:3
B
BB: Bb: bb 1:2:1
C
rood : wit 1:1
D
wit: rood 3:2

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een homozygoot dominante bruine hengst en een grijze merrie krijgen een bruine veulen.

Wat kan het genotype zijn van deze veulen?
A
aa of Aa
B
Aa of AA
C
Aa
D
aa

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wie zijn oom en tante van familielid 9?
A
3 en 4
B
10 en 11
C
6 en 7

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een halflangharige cavia heeft een intermediair fenotype. Halflangharige cavia's worden geboren door een kruising tussen een normaalharige cavia en ene langharige cavia. Twee halflangharige cavia's paren met elkaar.

Hoe groot is de kans dat een nakomeling van dit paar halflangharig is?
A
25%
B
50%
C
75%
D
100%

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een kind van twee gezonde ouders heeft een erfelijke aandoening. Het allel voor deze erfelijke aandoening moet dus aanwezig zijn bij de ouders. De ziekte is niet X-chromosomaal.
Erft deze erfelijke ziekte dominant of recessief over of is dit niet te bepalen?
A
recessief
B
dominant
C
niet te bepalen
D
codominant

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een cel ondergaat 2 keer mitose. Hierbij ontstaan 4 dochtercellen. In hoeveel van deze dochtercellen zijn nog delen van het oorspronkelijke DNA-molecuul aanwezig?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Uitleg 3.4
bekijk de volgende slides 
OF 
bekijk de uitlegvideo
https://www.youtube.com/watch?v=vcabxooIAlE&t=2s

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen 3.4
  •  hoe door de overerving van geslachtschromosomen het geslacht van een mens wordt bepaald.
  • kruisingsschema opstellen voor X-chromosomale overerving en de frequentie van bepaalde genotypen en fenotypen van nakomelingen afleiden, of uit een stamboom

Thomas Morgan kruiste in 1910 fruitvliegjes. Hij liet een vrouwtje met rode ogen paren met een mannetje met witte ogen. Alle nakomelingen hadden rode ogen. Toen hij de nakomelingen onderling liet paren, ontdekte hij iets bijzonders: alle vliegjes met witte ogen waren mannetjes en alle vliegjes met rode ogen waren vrouwtjes.


Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zie jij?









X chromosomaal

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kleurenblindheid  
1  op de 12 mannen
1 op de 250 vrouwen

Zouden we het verschil tussen mannen en vrouwen bij sommige erfelijke eigenschappen kunnen verklaren??

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geslachtschromosomen
Meisjes hebben twee  
X-chromosomen (XX).

Jongens hebben een
X en een Y-chromosoom (XY).

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Geslachtsbepaling

XY systeem

  • vrouw XX
  • man XY



Het X-O systeem. In bijen, sprinkhanen, termieten, etc.

  • 1 type geslachtscel: de X
    (Het geslacht bepaald door aantal X-en.)


Vrouwtjes XX en mannen X-



Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

X-chromosomale overerving: 
  • X-chromosomale eigenschappen bevinden zich alleen op het X-chromosoom en niet op het Y-chromosoom.

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

X- chromosomaal
Als een gen op het X-chromosoom ligt, heet het X-chromosomaal

We noteren dit dan bijvoorbeeld als XA of Xa.

LET OP: het Y-chromosoom is leeg!

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

X-CHROMOSOMAAL DOMINANT - XA
X-CHROMOSOMAAL RECESSIEF - Xa
Bewijs: dominant X-chromosomaal
Gezonde vader krijgt altijd gezonde dochters! 
Bewijs recessief X-chromosomaal:
Zieke vader krijgt altijd zieke dochters! 

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

X-chromosomale overerving
  • Zonen krijgen het X-chromosoom altijd van hun moeder
  • Dochters krijgen altijd een X-chromosoom van hun vader

Kruisingsregel x-chromosomale overerving:
'zieke dochters hebben zieke vaders'

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Conclusie:
Mannen hebben vaker last van X-chromosmale afwijkingen

  1. Kleurenblindheid
  2. Hemofilie (bloederziekte)
  3. Ziekte van Duchenne (spierdystrofie)
  4. Ichtyosis (verhoorningsstoornis)

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tijd voor actie!
zie volgende slide

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies



WAT
* lezen basisstof 3.4
** maken + nakijken opdr. 35-42
*** testjezelf 3.4 / oefenblad X-chromosomale overerving

HOE
individueel
in stilte


HULP NODIG
  1. kijk in de tekst in je basisstof
  2. schrijf je vraag op, vraag na afloop of tijdens een R-les aan je docent
  3. Mail mij je vraag (ik werk op maandag, dinsdag en vrijdag)
tijd voor actie!! 
timer
15:00

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Checkvragen 3.4

pen en papier bij de hand
maak zo veel mogelijk kruisingsschema's
hoe meer je oefent, hoe beter de toets zal gaan

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Is het X-chromosoom van een jongen afkomstig van zijn moeder of van zijn vader?
A
vader
B
moeder
C
beide

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij mensen is het allel voor kleurenblindheid
recessief en X-chromosomaal (Xk). Persoon 7
is kleurenblind. Kun je met zekerheid zeggen
dat persoon 3 kleurenblind is? En persoon 4?
A
3 : nee 4: nee
B
3: ja 4: ja
C
3: nee 4: ja
D
3: ja 4: nee

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als de eigenschap die betrokken is bij
deze ziekte X-chromosomaal zou
overerven, wat wordt dan het fenotype
van kleinzoon III-9?

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Bekijk eventueel de volgende (uitleg)videos

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 40 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Mocht je ooit vastlopen of theorie willen herhalen: 
check biopagina per onderwerp

Hier ook hele goede oefenbladenen toetsen

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 42 - Link

Algemene oefentoets
0

Slide 43 - Video

Deze slide heeft geen instructies