COM les 1 lj1 olp 1 21-22

Wat is de juiste volgorde bij communicatie?
A
boodschap - zender - ontvanger
B
zender - ontvanger - boodschap
C
zender - boodschap - ontvanger
D
ontvanger - boodschap -zender
1 / 26
volgende
Slide 1: Quizvraag
MBO

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

Onderdelen in deze les

Wat is de juiste volgorde bij communicatie?
A
boodschap - zender - ontvanger
B
zender - ontvanger - boodschap
C
zender - boodschap - ontvanger
D
ontvanger - boodschap -zender

Slide 1 - Quizvraag

Verschillende manieren van communicatie

1.  Non-verbaal/verbaal
2. Eenzijdig of tweezijdig
3. Persoonlijk of massaal






Slide 2 - Tekstslide

Een knipoog
Het doorgeven van informatie gaat dus niet alleen 
met woorden. 

Je kan een knipoog kan gebruiken om aan te geven of je iemand leuk vindt.

 non-verbale communicatie  = lichaamstaal

Slide 3 - Tekstslide

0

Slide 4 - Video

non-verbale communicatie
A
Geen communicatie
B
Communicatie zonder woorden.

Slide 5 - Quizvraag

Blozen is een voorbeeld van
A
Verbale communicatie
B
Non-verbale communicatie

Slide 6 - Quizvraag

Welke vorm van communicatie vindt plaats in de onderstaande situatie?

Een gast trommelt met haar vingers op tafel
A
verbale communicatie
B
non-verbale communicatie

Slide 7 - Quizvraag

Van welke soort communicatie gebruik je als je een e-mail stuurt?
A
Verbale communicatie
B
Non-verbale communicatie

Slide 8 - Quizvraag

2. eenzijdig of tweezijdig
eenzijdig: Je ontvangt alleen informatie en kunt niet reageren
je zoekt informatie op internet
tweezijdig: Je bent tegelijk zender en ontvanger.
een gesprek met iemand

Slide 9 - Tekstslide

Communicatie

Slide 10 - Woordweb

Communicatie is het uitwisselen van informatie
De informatie die je overdraagt noem je de boodschap

Degene die communiceert noem je de zender.

De persoon die de boodschap ontvangt is de ontvanger.

De zender brengt zijn boodschap over met een medium: (bijv. gesprek, berichtje of non-verbaal met je lichaam) 

Slide 11 - Tekstslide

Verbale & non-verbale communicatie

Slide 12 - Tekstslide

2

Slide 13 - Video

Wat denken jullie? Hoeveel % bestaat uit non-verbale communicatie?

Slide 14 - Open vraag

De meest voorkomende non-verbale communicatiefouten

Slide 15 - Tekstslide

Verbaal
Non-verbaal

Slide 16 - Tekstslide

Situatie:
De student stuurt een e-mail naar haar praktijkbegeleider.
A
verbaal
B
non-verbaal
C
beide

Slide 17 - Quizvraag

Situatie:
De werkgever is boos op zijn werknemers. Hij verheft zijn stem en geeft een donderpreek
A
verbaal
B
non-verbaal
C
beide

Slide 18 - Quizvraag

situatie:
Mees liket de Facebook-update van Samia.
A
verbaal
B
non-verbaal
C
beide

Slide 19 - Quizvraag

situatie:
Valerie geeft een presentatie voor de klas. Ze gebruikt daarbij een PowerPoint.
A
verbaal
B
non-verbaal
C
beide

Slide 20 - Quizvraag

Opdracht: belang van communicatie

In tweetallen:
1. Een iemand verteld wat over zijn stage/vakantie/hobby's.
2. De ander krijgt van mij een verborgen taak.
 
timer
5:00

Slide 21 - Tekstslide

Opdracht: belang van communicatie
1. Je mag alleen non-verbaal reageren (dus niet praten).

2. Neem een van onderstaande houdingen aan tijdens het verhaal:
  • Ongeïnteresseerd
  • Neutraal
  • ONTZETTEND geïnteresseerd

Slide 22 - Tekstslide

Lees de casus van Vincent en beantwoord de vragen:
Janine werkt in een schippersinternaat. Vincent is een van de tieners die er doordeweeks woont. Vincent heeft moeite met zijn opleiding. Ook weet Janine dat hij zijn ouders en zusje enorm mist. Vandaag is Vincent uit school meteen naar zijn kamer gelopen. Hij is niet eens in de huiskamer geweest om wat te drinken en iets lekkers te pakken. Het is tijd voor een praatje, denkt Janine. Wanneer ze op zijn kamer komt, maakt Vincent nauwelijks oogcontact met haar. Hij scrolt wat op zijn mobieltje. Wanneer ze vraagt hoe het met hem gaat, antwoordt hij: ‘Prima hoor.’ Wanneer Janine doorvraagt, roept hij: ‘Ik zei toch dat het goed gaat, mens, laat me met rust!’

Slide 23 - Tekstslide

Leg aan de hand van de casus van Janine en Vincent uit. Wie is de:
1. zender?
2 ontvanger?
3. wat was de boodschap?
4. met welk medium werd de boodschap gebracht?

Slide 24 - Open vraag

Mensen communiceren altijd met een bepaald DOEL: je wilt een boodschap aan de ander overbrengen. Welk doel heeft Janine in het gesprekje met Vincent?

Slide 25 - Open vraag

Welke boodschappen worden er in de casus van Vincent VERBAAL verstuurd, welke NON-VERBAAL?

Slide 26 - Open vraag