begrijpend lezen les 9: samen oefenen + herhaling

Nederlands
Begrijpend lezen
Les 9:
VWO 2
 P2 2020-2021
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Nederlands
Begrijpend lezen
Les 9:
VWO 2
 P2 2020-2021

Slide 1 - Tekstslide

In de vorige les heb je geleerd...
...wat er wordt bedoeld met een mening
...wat een argument is.
...wat een tegenargument is.

Slide 2 - Tekstslide

Aan het einde van deze les...
...hebben we sommige onderdelen herhaald.
...hebben we samen een tekstje geoefend.

Slide 3 - Tekstslide

Welke signaalwoorden
ken je nog?

Slide 4 - Woordweb

Welke verbanden
ken je nog?

Slide 5 - Woordweb

WAAR
 NIET
WAAR
Signaalwoorden geven alleen verbanden aan tussen woorden en zinnen.
Een signaalwoord zorgt ervoor dat je een bepaald verband kunt herkennen.
Een signaalwoord is één woord.

Slide 6 - Sleepvraag

Sleep het juiste verband naar het juiste signaalwoord.
om ... te
maar
verder
zo
tegenstellend verband
opsommend verband
middel-doel verband
voorbeeldgevend verband

Slide 7 - Sleepvraag

Sleep het juiste verband naar het juiste signaalwoord.
daardoor
doordat
want
hetzelfde als
oorzaak-gevolg verband
vergelijkend verband
redengevend verband

Slide 8 - Sleepvraag

Slide 9 - Tekstslide

4 manieren om alinea's met elkaar te verbinden: 
(zie de PowerPoint 'Alineaverbanden' in de Jaarbijlagen)

1. Met een signaalwoord
Het signaalwoord aan de begin van een alinea geeft het verband aan met de vorige alinea.

2. Door herhaling van een woord of woordgroep
Aan het begin van een alinea worden woorden of woordgroepen uit de vorige alinea herhaald.

Slide 10 - Tekstslide

4 manieren om alinea's met elkaar te verbinden:
3. Door overgangszinnen met een verwijzing
In een van de eerste zinnen staat een verwijzing naar iets wat eerder is gezegd in de vorm van een verwijswoord.

4. Door aankondigende zinnen
De zin/de zinnen aan het einde van een alinea vertellen wat je in de volgende alinea kunt verwachten.

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Vragen
1. Waar verwijst 'Dat' (r. 1 ) naar?

2a. Welk signaalwoord voor het opsommend verband zie je in alinea 1?
2b. Noteer de delen van het verband.

3a. Op welke manier zijn alinea 2 en 3 met elkaar verbonden?
3b. Aan welk(e) woord(en) zie je dat?

Slide 13 - Tekstslide

Vragen

4a. Op welke manier zijn alinea 3 en 4 met elkaar verbonden?
4b. Aan welk(e) woord(en) zie je dat?

5. Welk verband hoort bij het signaalwoord 'doordat' (alinea 5)?

6. Wat is het tekstdoel?

7. Wat is de tekstsoort?

Slide 14 - Tekstslide

Aan de slag!
Maak de vragen op de volgende slides
slide 16 t/m 26

Slide 15 - Tekstslide

Maak een zin met een signaalwoord.

Slide 16 - Open vraag

Wat is GEEN signaalwoord?
A
die
B
dus
C
maar
D
bovendien

Slide 17 - Quizvraag

Signaalwoord: waarmee

Tekstverband
A
vergelijkend verband
B
middel-doel verband
C
redengevend verband
D
opsommend verband

Slide 18 - Quizvraag

Signaalwoord: omdat

Tekstverband
A
vergelijkend verband
B
middel-doel verband
C
redengevend verband
D
opsommend verband

Slide 19 - Quizvraag

Signaalwoord: maar

Tekstverband
A
vergelijkend verband
B
middel-doel verband
C
tegenstellend verband
D
opsommend verband

Slide 20 - Quizvraag

Signaalwoord: echter

Tekstverband
A
vergelijkend verband
B
middel-doel verband
C
tegenstellend verband
D
opsommend verband

Slide 21 - Quizvraag

Signaalwoord: daarom

Tekstverband
A
redengevend verband
B
middel-doel verband
C
tegenstellend verband
D
opsommend verband

Slide 22 - Quizvraag

Signaalwoord: om....te

Tekstverband
A
vergelijkend verband
B
middel-doel verband
C
redengevend verband
D
voorbeeldgevend verband

Slide 23 - Quizvraag

Signaalwoord: zoals

Tekstverband
A
vergelijkend verband
B
middel-doel verband
C
redengevend verband
D
voorbeeldgevend verband

Slide 24 - Quizvraag

Bij welk tekstverband hoort het signaalwoord
'namelijk'?
A
concluderend verband
B
voorbeeldgevend verband
C
redengevend verband
D
middel-doel verband

Slide 25 - Quizvraag