moduletoets pluriforme samenleving 4 BK

Moduletoets Pluriforme Samenleving 4 BK
  • Lees de vragen goed door. 
  • Als je de bijbehorende bronnen wilt vergroten dan kun je op de afbeelding/tekst klikken. 
  • Beantwoord de open vragen zo uitgebreid mogelijk en neem de tijd.
  • Gebruik bij een vraag met bron altijd de bron
  • Klik altijd op het vraagteken zoals je hier ziet, voor uitleg of hoe je de vraag moet beantwoorden.

Geef bij meerkeuze vragen altijd een antwoord ook als je het niet zeker weet.

Heel veel succes met het maken van deze toets
Een vraagteken vertel je hoe je de vraag moet beantwoorden en geeft je extra informatie
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijleerMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 4

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Moduletoets Pluriforme Samenleving 4 BK
  • Lees de vragen goed door. 
  • Als je de bijbehorende bronnen wilt vergroten dan kun je op de afbeelding/tekst klikken. 
  • Beantwoord de open vragen zo uitgebreid mogelijk en neem de tijd.
  • Gebruik bij een vraag met bron altijd de bron
  • Klik altijd op het vraagteken zoals je hier ziet, voor uitleg of hoe je de vraag moet beantwoorden.

Geef bij meerkeuze vragen altijd een antwoord ook als je het niet zeker weet.

Heel veel succes met het maken van deze toets
Een vraagteken vertel je hoe je de vraag moet beantwoorden en geeft je extra informatie

Slide 1 - Tekstslide

Waarom noemen we Nederland een pluriforme samenleving? Gebruik in je antwoord de betekenis van het woord ‘pluriform’.

Slide 2 - Open vraag

Noem de vier kenmerken van de Nederlandse pluriforme samenleving.

Slide 3 - Open vraag

a. Wanneer noemen we iemand
autochtoon?

b. Wanneer noemen we iemand
allochtoon?

Geef de volledige omschrijving van wanneer we iemand een autochtoon en wanneer we iemand een allochtoon noemen.

Slide 4 - Open vraag

Leg uit op welke manier het woord ‘allochtoon’ vaak verkeerd wordt gebruikt.

Slide 5 - Open vraag

Links staan zes situaties, welke situaties horen bij de dominante Nederlandse cultuur en welke bij een Subcultuur. 
Sleep de situaties naar het juiste vakje
dominante Nederlandse cultuur 
 subcultuur 
1 Eva uit Venlo is trots op haar carnavalsoutfit.
2 Yin-Li spreekt thuis Chinees met haar ouders.
3 Een hond of kat als huisdier hebben. 
4 Fadi leest de Koran. 
5 Je mag geloven wat je wilt.
6 Homoseksualiteit wordt afgekeurd.

Slide 6 - Sleepvraag

In Nederland bestaan verschillende subculturen. Sommige zijn gebaseerd op dezelfde hobby’s, sommigen op woonplaats of geloof.
In Nederland bestaan ook etnische subculturen.

Noem twee etnische subculturen.

Noem er Twee

Slide 7 - Open vraag

Sleep de omschrijvingen van de personen naar de reden waarom ze verhuisden
WERK
 VEILIGHEID 
GEZIN
ONAFHANKELIJKHEID VAN KOLONIËN.
Rini trouwde in Basel met de Zwitserse Lea. Na het huwelijk gaan in ze in Breda wonen.
Isman komt uit Somalië. Zijn familie is vermoord tijdens de stammenoorlogen. Hij krijgt asiel in Nederland.
Valdis komt uit Letland. Hij wil graag een bedrijf beginnen, maar heeft te weinig geld. Dat geld wil hij in Nederland verdienen. Daarom verhuisde hij naar Wageningen.
Na de onafhankelijkheid van Suriname verhuisde de Surinaamse familie Davids met de kinderen naar Amsterdam.
Abdul komt uit Afghanistan. Hier krijgt hij een verblijfsvergunning. Zijn vrouw en kinderen verhuisden na drie jaar ook naar Nederland.
Franco komt uit Spanje. Hij gaat zes maanden aan de slag op het Amsterdamse hoofdkantoor van modeketen Zara.

Slide 8 - Sleepvraag

Er zijn twee personen die naar graag naar Nederland willen komen om te werken.
1 Bernd Friss. Hij werkt in Duitsland als automonteur. Het lijkt hem een interessant avontuur
om een jaartje in Nederland te gaan werken bij een garage die racewagens onderhoudt.
2 Kude Badai. Hij is een kunstenaar uit Ghana. Hij wil een paar jaar in Amsterdam gaan
wonen om met zijn gemaakte schilderijen z’n geld verdienen.
Zet hier onder de juiste persoon Bernd Friss / Kude Badai maakt de meeste kans om in
Nederland te mogen werken, omdat .........
Je zet in je antwoord de naam van de persoon die het meeste kans maakt om in Nederland te mogen blijven werken. Zorg er voor dat je bij het beantwoorden van de vraag ook aangeeft waarom deze persoon de meeste kans maak om in Nederland te mogen werken.

Slide 9 - Open vraag

Hieronder staat een kort verhaaltje waarin enkele woorden ontbreken.
Schrijf het ontbrekende woord op.
1. Soms vluchten mensen uit hun land omdat hun leven gevaar loopt. We noemen hen … (1) …
2. Als hun leven echt gevaar loopt, krijgen ze een … (2) …
3. Soms wonen leden van een gezin verspreid over twee of meer landen. Als zij weer bij elkaar
gaan wonen, noemen we dit … (3) …
→ Doe het zo: neem het onderstaande over en vul het ontbrekende woord in.
 1 = ...
 2 = ...
 3 = ...

Slide 10 - Open vraag

Geef een reden waarom asielzoekers soms geen toestemming krijgen om in Nederland te mogen blijven.

Slide 11 - Open vraag

De Turkse Sibel verhuist naar Nederland omdat haar man hier al jaren woont en werkt.

Dat noem je:

A
gezinshereniging.
B
gezinsvorming.

Slide 12 - Quizvraag

De Chinese Ming-Zhu verhuist naar Nederland omdat ze via internet verliefd is geworden op de Alkmaarse Roland.


Dat noem je:

A
gezinshereniging.
B
gezinsvorming.

Slide 13 - Quizvraag

Soms ontstaan er spanningen tussen nieuwkomers en autochtone Nederlanders door een vooroordeel. Wat is hiervan een voorbeeld?

Als een Nederlandse autochtoon zegt:

A
“Die nieuwkomers zijn allemaal luie nietsnutten.”
B
“Kunnen die nieuwkomers niet in hun eigen land blijven?”
C
“Voor al die nieuwkomers is toch geen plaats.”
D
“Nieuwkomers hebben een andere cultuur.”

Slide 14 - Quizvraag

Zijn de uitspraken juist of onjuist?
1. Als je een baan hebt, gaat integreren moeilijker.
2. Sommige werkgevers discrimineren allochtonen.

A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist.

Slide 15 - Quizvraag

Mensen met een migratie-achtergrond krijgen soms te maken met discriminatie.

Verzin een voorbeeld.

Slide 16 - Open vraag

Integratie lukt alleen als er tolerantie en respect is voor elkaar.
Geef een voorbeeld waaruit een tolerante houding blijkt tegenover iemand met een ander geloof.

Slide 17 - Open vraag

Voor integratie is het noodzakelijk dat nieuwkomers snel mee kunnen doen in de maatschappij. Daarom ondersteunt de overheid integratie door het nemen van allerlei maatregelen, zoals:
- extra geld geven voor lessen Nederland;
- in steden te stimuleren dat zo veel mogelijk kinderen op een gemengde school zitten;
- het opknappen van probleemwijken.
Waarom wil de overheid dat zo veel mogelijk kinderen op een gemengde school zitten?
Leg je antwoord uit.
Vergeet niet uit te leggen waarom de overheid dat wil

Slide 18 - Open vraag

De islam en het christendom zijn allebei gebaseerd op een heilig boek.

a. Hoe heet het heilige boek van de islam?

b. Hoe heet het heilige boek van het christendom?

Dit is een a en een b vraag vergeet dus niet twee antwoorden te geven

a: het heilige boek van de Islam

b: het heilige boek van het Christendom

Slide 19 - Open vraag

Wie is de leider van alle katholieken?
A
De paus.
B
De pastoor.
C
De rabbijn.
D
Niemand, want zij hebben geen leider.

Slide 20 - Quizvraag

In Nederland bestaat godsdienstvrijheid. Noem twee zaken waaruit dat blijkt.
Vergeet niet dat je bij deze vraag TWEE dingen moet noemen

Slide 21 - Open vraag

Kies een stelling uit het onderstaande rijtje. Noem bij de stelling een argument vóór en een argument tegen.
A “In een pluriforme samenleving moeten ook autochtonen zich aanpassen.”
B “Het afschaffen van de woorden allochtoon en autochtoon is onzin.”
C “Bejaarde immigranten hoeven geen inburgeringscursus te volgen.”
D “Asielzoekers die langer dan vijf jaar wachten op een verblijfsvergunning, mogen blijven.”
E “Vrijheid van meningsuiting betekent ook dat je mensen mag beledigen.”
Doe het zo:
 Ik kies stelling ….
 Mijn argument vóór de stelling is:
 Mijn argument tégen de stelling is:

Je hoef dus maar één stelling te kiezen waarbij je een argument voor en een argument tegen de stelling geeft.

Slide 22 - Open vraag

1. Welke zinnen zijn juist?
1. Achterhoekers zijn allochtonen met een eigen cultuur.
2. Aan iemands huidskleur kun je niet zien of hij allochtoon of
autochtoon is.
3. Een Duitser die hier woont en werkt, is een allochtoon.

A
1 en 2 zijn juist.
B
1 en 3 zijn juist.
C
2 en 3 zijn juist.
D
1, 2 en 3 zijn juist.

Slide 23 - Quizvraag

Wie kwamen er 60 jaar geleden naar Nederland?
A
Afghanen die gevlucht waren voor de oorlog in hun eigen land.
B
Duitsers die bang waren dat Rusland een nieuwe oorlog zou beginnen.
C
Turken en Marokkanen die op zoek waren naar werk.
D
Mensen uit andere EU-landen die op zoek waren naar werk.

Slide 24 - Quizvraag

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. Mensen uit EU-landen mogen alleen met een verblijfsvergunning in
Nederland werken.
2. Iedereen die in ons land komt werken, wordt opgevangen in een
asielzoekerscentrum.

A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist.

Slide 25 - Quizvraag

Bij integratie hoort dat Nederlanders:
A
andere subculturen afwijzen.
B
hun eigen cultuur opgeven.
C
hun wetten aan nieuwkomers aanpassen.
D
andere culturen accepteren.

Slide 26 - Quizvraag

Integratie betekent dat nieuwkomers:
A
zich helemaal aanpassen aan de Nederlandse cultuur.
B
zich gedeeltelijk aanpassen aan de Nederlandse cultuur.
C
zich helemaal niet aanpassen aan de Nederlandse cultuur.
D
geen Nederlands hoeven te leren.

Slide 27 - Quizvraag

Hoe passen veel autochtone Nederlanders zich aan de allochtonen aan?
A
Ze leren hun taal.
B
Ze nemen hun feestdagen over.
C
Ze eten hun gerechten.
D
Ze nemen hun godsdienst over.

Slide 28 - Quizvraag

Volgens de islam is Mohammed:
A
de zoon van God.
B
degene die de wereld heeft gemaakt.
C
de belangrijkste profeet van Allah.
D
de schrijver van het Oude en Nieuwe Testament.

Slide 29 - Quizvraag

Zijn de uitspraken juist of onjuist?

1. De paus is de leider van de protestanten.
2. Een profeet is iemand die de boodschap van God doorvertelt.

A
1 is juist, 2 is onjuist.
B
1 is onjuist, 2 is juist.
C
1 en 2 zijn beide juist.
D
1 en 2 zijn beide onjuist.

Slide 30 - Quizvraag

Protestanten gaan naar de kerk. Joodse mensen gaan naar de moskee.
A
Deze uitspraak is juist.
B
Deze uitspraak is onjuist.

Slide 31 - Quizvraag