être 19-12

Leçon 5: le verbe être
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Leçon 5: le verbe être

Slide 1 - Tekstslide

Qu'est-ce qu'on va faire aujourd'hui ?
- we kijken hoe goed je je aantekeningen hebt doorgenomen
- we leren hoe je het werkwoord zijn kunt gebruiken in korte zinnen

Slide 2 - Tekstslide

Vertaal:

Hoe gaat het?
timer
0:45

Slide 3 - Open vraag

Sleep de Franse zinnen naar hun vertaling.
timer
2:00
comme ci comme ça
mal
elle s'appelle
je suis
je m'appelle
salut
slecht
ik ben
ik heet
doei
zo zo
hoi
zij heet
hij heet

Slide 4 - Sleepvraag

Op welke manieren kun je iemand begroeten?

Slide 5 - Open vraag

être = zijn

Slide 6 - Tekstslide

0

Slide 7 - Video

Le verbe être= zijn
Je suis hollandais.
Tu es en classe?
Il est un grand garçon.
Elle est une grande fille.
On est au collège
C'est un prof.

Slide 8 - Tekstslide



Je suis hollandais.
Tu es en classe.
Il est un grand garçon.
Elle est une grande fille.
On est au collège
C'est un prof.



Ik ben Nederlands.
Jij bent in de klas.
Hij is een grote jongen.
Zij is een groot meisje.
Wij zijn op school.
Het is een docent.

Slide 9 - Tekstslide

Completez les phrases
Maak de volgende zinnen compleet:
1: Salut, je.......... Louise
2: Bizzare, moi c'.............Louis
3: Moi je......................de Toulouse Tu............... de Paris?
4: Oui, je............. d'ici. Et c'............ Ludo, un chien super.
5: Il............. du refuge Grammont
6: Ah oui, il.................fantastique. Toi aussi tu............. super.

Slide 10 - Tekstslide

Faire des phrases avec être
Maak 6 zinnen met alle vormen van het werkwoord être

Kies een persoon:                                     Kies een woord
- Je                                                   une star, sympathique, calme, genial/géniale
- Tu                                                   triste, sérieux/sérieuse, joli/jolie, à Hilversum
- Il                                                     au collège, dans la classe, à la maison, à Loenen
- Elle                                               à Loosdrecht, à Paris
-On
Vertaal je gemaakte zinnen naar het Nederlands
timer
10:00

Slide 11 - Tekstslide

être
=
  zijn



Sleep de juiste vorm van être naar het bijbehorende persoonlijk voornaamwoord
il/elle/on
tu
je/j'
suis
es
est

Slide 12 - Sleepvraag

Vocabulaire
Open de woordenlijst in SOM.
Samen uitspraak oefenen + hoe leer je woordjes?

Slide 13 - Tekstslide

Pour la prochaine leçon
Neem deze les nog een keer door via de link die ik in LessonUp zet.
+
Leren woordjes 1 tm 15 woordenlijst!

Slide 14 - Tekstslide