taalkundig ontleden klas

Er zijn maar vier vragende voornaamwoorden.
Noem ze allemaal!

Hint: ze beginnen allemaal met een 'w' en staan vooraan in vraagzinnen
1 / 14
volgende
Slide 1: Open vraag
NederlandsMiddelbare school

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Er zijn maar vier vragende voornaamwoorden.
Noem ze allemaal!

Hint: ze beginnen allemaal met een 'w' en staan vooraan in vraagzinnen

Slide 1 - Open vraag

Vragend voornaamwoord (VRV)
De vier VRV's: wie, wat, welk(e), wat voor (een)
- Staat vooraan een vraagzin.                   
  Welke boeken neem je mee naar school vandaag?
OF
- Je kunt ze vooraan een vraagzin zetten
   Kun je mij vertellen wat voor telefoon jij hebt?
   > Wat voor telefoon heb jij?

Slide 2 - Tekstslide

Hoofdtelwoord
Rangtelwoord
eerste
zoveelste
vijf
honderd
honderdste
veel
weinig
middelste

Slide 3 - Sleepvraag

Telwoord (TW)
Geven een aantal of rangorde (volgorde) aan

veel, weinig, zes, zeven, acht, miljoen, verscheidene, alle, ...
eerste, laatste, middelste, zoveelste, hoeveelste
hoofdtelwoord (HTW)
rangtelwoord (RTW)

Slide 4 - Tekstslide

Wat zijn de werkwoorden in onderstaande zin?

De gebroken lamp is sinds gisteren verwoest.

Slide 5 - Open vraag

Hoe wist je dat dat de werkwoorden waren?

De gebroken lamp is sinds gisteren verwoest.

Slide 6 - Open vraag

Werkwoorden (WW)
Een werkwoord geeft een handeling aan. 
Het maakt duidelijk wat er gebeurt of wordt gedaan.
Een werkwoord kun je vervoegen, dus:
- Veranderen van getal of persoon (ik loop, hij loopt, wij lopen) 
- Veranderen van tijd (ik loop, ik liep)

! Zet alle werkwoord achter elkaar om je antwoord te checken !



Slide 7 - Tekstslide

Vanaf hier: alleen 2HV

Slide 8 - Tekstslide

Hij (zou) later piloot (willen) (worden).

De werkwoorden staan tussen haakjes. Maak nu onderscheid: wat is het hww, het zww en het kww?

Slide 9 - Open vraag

HWW - ZWW - KWW
1. Wat zijn de werkwoorden in de zin?
2. Wat is het belangrijkste werkwoord?
     Voltooid deelwoord    Infinitief    Persoonsvorm


3. Is dat werkwoord een KWW of een ZWW?
4. De rest van de werkwoorden zijn HWW's!
Hij zou later piloot willen worden.
      hww                         hww     kww

Slide 10 - Tekstslide

Koppelwerkwoord (kww)
Zelfstandig werkwoord (zww)
- zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen

- Kun je vaak niet uitbeelden.

- Hoedanigheid of eigenschap
Hij is dokter.
Sneeuwwitje is koningin geworden.
- alle andere werkwoorden


- Kun je vaak wél uitbeelden. 

- Handeling of plaats
Hij is buiten.
De koningin heeft me gebeld.
Hoe vind je de eigenschap?
Stel de vraag die je bij redekundig ontleden ook stelt om het naamwoordelijk deel van het gezegde te vinden:
wie/wat + gezegde + onderwerp?

Slide 11 - Tekstslide

Hulpwerkwoord (HWW)
- Kunnen met meerderen in een zin staan.
- Kunnen niet zonder een koningin.
- Zijn nooit het belangrijkste (werkwoord) in het verhaal.
Wie zou dat gedaan kunnen hebben? HWW - ZWW - HWW - HWW
Hij zou daar ziek geworden zijn. HWW - KWW - HWW

Slide 12 - Tekstslide

Voegwoord (OV/NV)
Het woord dat zinnen (of woorden) aan elkaar voegt. 






Nevenschikkend voegwoord
- verbindt twee gelijke delen met elkaar
- en, maar, of, want, dus
Onderschikkend voegwoord
- verbindt twee ongelijke delen met elkaar
- aangezien, als, dat, doordat, hoewel, mits, nadat, of, enz.
Aangezien we wilden winnen, stelden we de sterkste spelers op.
Hij is in gevaar, maar dat komt niet door jou en mij.

Slide 13 - Tekstslide

1. Samengesteld of enkelvoudig?

Extra stap voor samengestelde zin:
* Voegwoord (OV-NV) 


2. Werkwoorden    (HWW-ZWW-KWW)
3. Lidwoorden                         (OLW-BLW)
4. Zelfstandig naamwoord              (ZN)
5. Bijvoeglijk naamwoord                (BN)
6. Voorzetsel                                          (VZ)
7. Persoonlijk voornaamwoord    (PSV)
8. Bezittelijk voornaamwoord     (BZV)
9. Aanwijzend voornaamwoord     (AV)
10. Vragend voornaamwoord      (VRV)
11. Bijwoord                                            (BW)
12. Telwoord                            (HTW-RTW)
13. (andere voegwoorden)       (OV-NV)
Hoofdzin en bijzin zoeken
  • Probeer een woord tussen het ow en de pv te zetten.
    Kan dat? Bijzin
    Kan dat niet? Hoofdzin
  • Strategie 2:
    Maak een vraagzin. De hoofdzin komt vooraan te staan.


Slide 14 - Tekstslide