Woordvolgorde
Leerdoel:
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde in de Nederlandse zin
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde bij een vraagzin.
Woordvolgorde
Leerdoel:
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde in de Nederlandse zin
Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde bij een vraagzin.
Wat weet je al over de woordvolgorde in de Nederlandse zin?
Waar bestaat een zin uit?
1. onderwerp (ik, jij, hij of zij, U, wij, jullie, zij)
2. werkwoord (lopen, slapen, spelen, leren, betalen...)
3. de rest van de zin
Onderwerp
Wie of Wat?
Het onderwerp staat vooraan in de zin
Mohammed, Piet, de hond, de leraar, de mensen, de politie, etc.
Mohammed speelt altijd gitaar.
Werkwoord
Het werkwoord is het actiewoord in de zin. Het geeft aan wat er gebeurt of wat de persoon of het ding doet.
Een werkwoord:
1. is een doe-woord
2. eindigt vaak op -en
3. verandert als het onderwerp verandert
Rest van de zin
Waar, hoe, wanneer of met wie gebeurt het?
Bijvoorbeeld:
Mohammed voetbalt zaterdags bij Blauw-zwart.
De woordvolgorde in een zin
De woordvolgorde
De woordvolgorde in een normale zin
Normale woordvolgorde:
Wat is goed?
Meisje het eet een appel.
Het meisje zij eet een appel.
Het meisje eet een appel.
Eet een appel het meisje
Wat is goed?
Ik eet soep in de keuken.
Eet in de keuken soep ik.
In de keuken ik eet soep.
Soep ik eet in de keuken.
Wat is goed?
Hij zijn haar wast.
Hij wast zijn haar
Haar wast hij zijn.
Haar wast zijn hij.
1
2
3
4
Waar
woont
de docent
?
1
2
3
4
Hoeveel
boeken
heb jij
?
1
2
3
4
Meltem
leest
een boek
.
1
2
3
4
Waar
woont
jouw zus
?
1
2
3
4
Ik
ga
naar de dokter
.
1
2
3
4
De drogist
verkoopt
medicijnen
.
Zet in de goede volgorde: Voorschoten-in-Moniek-speelt-hockey
Vragende zinnen
Vragende zinnen beginnen met een vraagwoord en hebben vaak een omgekeerde woordvolgorde in vergelijking met bevestigende zinnen.
Welke vraagwoorden zijn er?
Welke vraagwoorden zijn er?
vraagwoorden
De woordvolgorde bij een vraagzin met een vraagwoord
De woordvolgorde bij een vraagzin
Oefeningen
Laten we nu oefenen met het maken van zinnen met de juiste woordvolgorde en vragende zinnen.
Wat is goed?
Je mee gaat naar zee?
Je naar zee gaat mee?
Naar zee ga je mee?
Ga je mee naar zee?
Zet in de goede volgorde: jij -december- in- vakantie -Heb?
Maak een zin en een vraag met het woord 'ik'.
Maak een zin en een vraag met 'om 9.00 uur'.
Maak een zin en een vraag met 'de leerlingen'.
Maak nu zelf een aantal zinnen en vraagzinnen
Kan jij een goede zin schrijven?