NT2 A2 woordvolgorde

Woordvolgorde

Leerdoel:

  • Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde in de Nederlandse zin

  • Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde bij een vraagzin.

1 / 32
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2ISK

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Woordvolgorde

Leerdoel:

  • Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde in de Nederlandse zin

  • Aan het einde van de les begrijp je de woordvolgorde bij een vraagzin.

Wat weet je al over de woordvolgorde in de Nederlandse zin?

Waar bestaat een zin uit?

1. onderwerp (ik, jij, hij of zij, U, wij, jullie, zij)

2. werkwoord (lopen, slapen, spelen, leren, betalen...)

3. de rest van de zin

Onderwerp

Wie of Wat?

Het onderwerp staat vooraan in de zin


Mohammed, Piet, de hond, de leraar, de mensen, de politie, etc.


Mohammed speelt altijd gitaar.

Werkwoord

Het werkwoord is het actiewoord in de zin. Het geeft aan wat er gebeurt of wat de persoon of het ding doet.


Een werkwoord:

1. is een doe-woord

2. eindigt vaak op -en

3. verandert als het onderwerp verandert

Rest van de zin

Waar, hoe, wanneer of met wie gebeurt het? 


Bijvoorbeeld:

Mohammed voetbalt zaterdags bij Blauw-zwart.


De woordvolgorde in een zin


De woordvolgorde 


De woordvolgorde in een normale zin

Normale woordvolgorde:

Wat is goed?

A

Meisje het eet een appel.

B

Het meisje zij eet een appel.

C

Het meisje eet een appel.

D

Eet een appel het meisje

Wat is goed?

A

Ik eet soep in de keuken.

B

Eet in de keuken soep ik.

C

In de keuken ik eet soep.

D

Soep ik eet in de keuken.

Wat is goed?

A

Hij zijn haar wast.

B

Hij wast zijn haar

C

Haar wast hij zijn.

D

Haar wast zijn hij.

1

2

3

4

Waar

woont

de docent

?

1

2

3

4

Hoeveel

boeken

heb jij

?

1

2

3

4

Meltem

leest

een boek

.

1

2

3

4

Waar

woont 

jouw zus

?

1

2

3

4

Ik 

ga

naar de dokter

.

1

2

3

4

De drogist

verkoopt

medicijnen

.

Zet in de goede volgorde: Voorschoten-in-Moniek-speelt-hockey

Vragende zinnen

Vragende zinnen beginnen met een vraagwoord en hebben vaak een omgekeerde woordvolgorde in vergelijking met bevestigende zinnen.


Welke vraagwoorden zijn er?

Welke vraagwoorden zijn er?

vraagwoorden

De woordvolgorde bij een vraagzin met een vraagwoord


De woordvolgorde bij een vraagzin


Oefeningen

Laten we nu oefenen met het maken van zinnen met de juiste woordvolgorde en vragende zinnen.

Wat is goed?

A

Je mee gaat naar zee?

B

Je naar zee gaat mee?

C

Naar zee ga je mee?

D

Ga je mee naar zee?

Zet in de goede volgorde: jij -december- in- vakantie -Heb?

Maak een zin en een vraag met het woord 'ik'.

Maak een zin en een vraag met 'om 9.00 uur'.

Maak een zin en een vraag met 'de leerlingen'.

Maak nu zelf een aantal zinnen en vraagzinnen


Kan jij een goede zin schrijven?