cross

HAVOoefentoets 2.4


De overheid heeft in een bepaald jaar een begrotingstekort. 
In zo’n geval kan de overheid verschillende maatregelen nemen.

Welke gevolgen heeft de volgende maatregel voor de overheid?  

Bezuinigen op de gezondheidszorg. 

1 Dit heeft gevolgen voor de (inkomsten/uitgaven)                                    van de overheid. 
2 Die worden dan (hoger/lager) 
3 Het begrotingstekort wordt (groter/kleiner.)                                             



Leerdoel 29
inkomsten
uitgaven
hoger
lager
groter
kleiner
1 / 44
volgende
Slide 1: Sleepvraag
EconomieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les


De overheid heeft in een bepaald jaar een begrotingstekort. 
In zo’n geval kan de overheid verschillende maatregelen nemen.

Welke gevolgen heeft de volgende maatregel voor de overheid?  

Bezuinigen op de gezondheidszorg. 

1 Dit heeft gevolgen voor de (inkomsten/uitgaven)                                    van de overheid. 
2 Die worden dan (hoger/lager) 
3 Het begrotingstekort wordt (groter/kleiner.)                                             



Leerdoel 29
inkomsten
uitgaven
hoger
lager
groter
kleiner

Slide 1 - Sleepvraag

De overheid heeft in een bepaald jaar een begrotingstekort. In zo’n geval kan de overheid verschillende maatregelen nemen.

Welke gevolgen heeft de volgende maatregel voor de overheid?  

Het btw-tarief verhogen. 
Dit heeft gevolgen voor de (inkomsten/uitgaven)                                  van de overheid. Die worden dan (hoger/lager)                                      en het begrotingstekort wordt (groter/kleiner.)                                           



Leerdoel 29
inkomsten
uitgaven
hoger
lager
groter
kleiner

Slide 2 - Sleepvraag

De vier belangrijkste inkomsten van de overheid zijn: directe belastingen, indirecte belastingen, ...
Leerdoel 29
A
Premies volksverzekeringen en Sociale zekerheid
B
Sociale zekerheid en Premies zorgverzekeringen
C
Premies volksverzekeringen en Premies zorgverzekeringen
D
Gasbaten en Premies werknemersverzekeringen

Slide 3 - Quizvraag

Belasting over inkomen, winst en vermogen is
Leerdoel 30
A
Indirecte belasting
B
Directe belasting

Slide 4 - Quizvraag

Belasting die je betaalt wanneer je een product koopt is een voorbeeld van .....
Leerdoel 30
A
directe belasting.
B
indirecte belasting.

Slide 5 - Quizvraag

Loonbelasting is een ... belasting.
Leerdoel 30
A
directe
B
indirecte

Slide 6 - Quizvraag

Belasting die verwerkt zitten in de prijs van een product, noem je
Leerdoel 30
A
Indirecte belasting
B
Directe belasting

Slide 7 - Quizvraag

Wat is geen directe belasting
Leerdoel 30
A
Inkomstenbelasting
B
Accijns
C
Vennootschapsbelasting
D
Btw

Slide 8 - Quizvraag

Je koopt in de winkel een spijkerbroek. Betaal je op dat moment indirecte of directe belasting?
Leerdoel 30
A
Directe belasting
B
Indirecte belasting

Slide 9 - Quizvraag

Direct of indirect?

Over een prijs in de postcodeloterij betaal je kansspelbelasting.
Leerdoel 30
A
directe belasting
B
indirecte belasting

Slide 10 - Quizvraag

Brutoloon is Nettoloon min loonbelasting en sociale premies
Leerdoel 31
A
juist
B
onjuist

Slide 11 - Quizvraag

Wat gebeurt er met het BRUTOloon als de sociale premies en loonbelasting omlaag kunnen?
Leerdoel 31
A
Het brutoloon stijgt
B
Het brutoloon blijft gelijk
C
Het brutoloon daalt

Slide 12 - Quizvraag

Brutoloon is lager dan nettoloon
Leerdoel 31
A
Juist
B
Onjuist

Slide 13 - Quizvraag

Het brutoloon krijg je uitbetaald op je betaalrekening
Leerdoel 31
A
Juist
B
Onjuist

Slide 14 - Quizvraag

Hoe bereken je het nettoloon?
Leerdoel 32
A
Brutoloon - loonbelasting + premies
B
Brutoloon - loonbelasting - premies
C
Brutoloon + loonheffing
D
Brutoloon - btw

Slide 15 - Quizvraag

Nettoloon =
Leerdoel 32
A
brutoloon - (loonbelasting + sociale premies)
B
brutoloon - loonbelasting
C
brutoloon - sociale premies
D
brutoloon

Slide 16 - Quizvraag

Bereken het nettoloon:
Brutoloon: € 3.000,-
Loonbelasting: € 800,-
sociale premies: € 150,-
Leerdoel 32
A
€ 3.950,-
B
€ 2.200,-
C
€ 2.050,-
D
€ 1.950,-

Slide 17 - Quizvraag

Bereken het nettoloon:
Brutoloon: € 3.000,-
Loonbelasting: € 800,-
sociale premies: € 150,-
Leerdoel 32
A
€ 3.950,-
B
€ 2.200,-
C
€ 2.050,-
D
€ 1.950,-

Slide 18 - Quizvraag

Wanneer we van ons loon de sociale premies en loonbelasting afhalen houden we over:
Leerdoel 32
A
Nettoloon
B
Brutoloon

Slide 19 - Quizvraag

BTW is een voorbeeld van :
Leerdoel 33
A
directe belasting
B
indirecte belasting
C
rutte belasting
D
alle antwoorden zijn onzin

Slide 20 - Quizvraag

BTW voor voedsel is
Leerdoel 33
A
0%
B
6%
C
19%
D
21%

Slide 21 - Quizvraag

Op alle producten zit btw.
Leerdoel 33
A
Onjuist
B
Juist

Slide 22 - Quizvraag

Op alle producten zit accijns.
Leerdoel 33
A
Onjuist
B
Juist

Slide 23 - Quizvraag

Het normale btw-tarief is 21%
Leerdoel 33
A
Juist
B
Onjuist

Slide 24 - Quizvraag

Je oma geeft een feestje. Over de wijn die ze koopt, betaalt ze
Leerdoel 33
A
Accijnzen
B
BTW
C
Accijnzen en BTW
D
Inkomstenbelasting

Slide 25 - Quizvraag

Waarop zit geen accijns?
Leerdoel 33
A
Alcohol
B
Brandstof
C
Tabak
D
Voedsel

Slide 26 - Quizvraag


De overheid heft accijns op rookwaren zoals sigaretten. 
Hierna staan beweringen over de gevolgen van het heffen van accijns op sigaretten. 

Welke bewering is juist?
Leerdoel 33
A
Door accijns stijgt de afzet van sigaretten.
B
Door accijns stijgt de kwaliteit van sigaretten.
C
Door accijns stijgt de prijs van sigaretten.
D
Door accijns stijgt de winst op sigaretten.

Slide 27 - Quizvraag

Waarom heft de overheid op producten accijns?
Leerdoel 33
A
Consumptie stimuleren
B
Consumptie laten remmen

Slide 28 - Quizvraag

Op welke producten heft de overheid accijns?
Leerdoel 33
A
benzine, chocola, kleding
B
sigaretten, frisdrank, kleding
C
alcohol, sigaretten, benzine
D
alcohol, medicijnen, benzine

Slide 29 - Quizvraag

Wat betekent de afkorting btw?
Leerdoel 33
A
belasting toenemende waarde
B
belasting toegevoegde waarde
C
belasting totale waarde
D
belasting tegen waarde

Slide 30 - Quizvraag

Is verkoopprijs inclusief btw of exclusief btw?
Leerdoel 34
A
inclusief
B
exclusief

Slide 31 - Quizvraag

Wat is de consumentenprijs?
Leerdoel 34
A
verkoopprijs zonder btw
B
de btw
C
verkoopprijs met btw
D
inkoopprijs

Slide 32 - Quizvraag

Een winkelier ontvangt voor zijn producten:
Leerdoel 34
A
de inkoopprijs inclusief BTW
B
de verkoopprijs exclusief BTW
C
de verkoopprijs inclusief BTW
D
de inkoopprijs exclusief BTW

Slide 33 - Quizvraag

Een nieuwe auto kost € 12.900,- exclusief BTW. Hoeveel kost de auto inclusief BTW?
Leerdoel 34
A
€ 15.609,-
B
€ 27.090,-
C
€ 10.661,16
D
€ 15.351,-

Slide 34 - Quizvraag

Over voedingsmiddelen betaal je 9% btw.
Inclusief btw betaal je = ...... %
Leerdoel 34
A
9%
B
91%
C
100%
D
109%

Slide 35 - Quizvraag

Wat is de consumentenprijs?
Leerdoel 34
A
verkoopprijs zonder btw
B
verkoopprijs
C
verkoopprijs met btw
D
inkoopprijs

Slide 36 - Quizvraag

Brood heeft een ..... tarief BTW
Leerdoel 34
A
hoog (21%)
B
laag (9%)
C
geen (0%)
D
wisselend

Slide 37 - Quizvraag

Een brood kost bij de bakker € 2,69 Hoeveel is de verkoopprijs?
Leerdoel 34
A
€ 3,25
B
€ 2,93
C
€ 2,47
D
€ 2,22

Slide 38 - Quizvraag

Joost koopt een broek van € 99,- inclusief 21% btw. Wat is de prijs exclusief btw?
Leerdoel 34
A
119,79
B
106,36
C
81,82
D
81,81

Slide 39 - Quizvraag

Een tank benzine kost € 103,-
Er zit 47% accijns op benzine.
Hoeveel accijns is dit?
Leerdoel 35
A
€ 48,41
B
€ 32,93

Slide 40 - Quizvraag

Met ingang van 1-4-2020 gaat de accijns op sigaretten omhoog met € 1,- de prijs van een pakje is nu € 6,70 Hoeveel procent is deze stijging van de oude prijs?
Leerdoel 35
A
14,9%
B
15%
C
13%
D
12,9%

Slide 41 - Quizvraag

Je hebt 3 verschillende BTW tarieven.
Welke van onderstaande voorbeelden vallen onder het laagtarief?
Leerdoel 36
A
elektronica
B
medicijnen
C
schoonmaakazijn
D
leesboeken

Slide 42 - Quizvraag

Onderwijs valt onder het volgende btw tarief
Leerdoel 36
A
0%
B
9%
C
21%
D
dat hangt van het soort product af

Slide 43 - Quizvraag

Eerste levensbehoeften vallen onder het volgende btw tarief
Leerdoel 36
A
0%
B
9%
C
21%
D
dat hangt van het soort product af

Slide 44 - Quizvraag