Les 6 26/27

Les 6 2026/2027
-
- Wat gaan we vandaag doen?
- Bespreking huiswerk;
- werkwoordspelling;
- werkwoordspelling verleden tijd.


1 / 85
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlands

In deze les zitten 85 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Les 6 2026/2027
-
- Wat gaan we vandaag doen?
- Bespreking huiswerk;
- werkwoordspelling;
- werkwoordspelling verleden tijd.


Slide 1 - Tekstslide

Huiswerk Oefeningen
V.w.b. het huiswerk: ik krijg nog e.e.a. van je
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 3)-> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 4)
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 4)
- Leer woordenlijst m.b.t. de ‘c’ die soms klinkt als een ‘k’ en soms als een ‘s’ (n.a.v. Les 4)




Slide 2 - Tekstslide

Huiswerk Nieuwsbegrip
- maak de Nieuwsbegrip: lees de Tekst “Weren, kleren en smeren!”) en maakt de bijbehorende opdrachten (Zie uitleg in huiswerk e-mail van vorige week) (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- beantwoording van de vragen n.a.v. Les 1 (Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!"); -> zie huiswerk n.a.v. Les 1
- woordenschat bij de tekst “Brand je niet aan fabels!” n.a.v. Les 2 zie huiswerk n.a.v. Les 1
- Kijk even goed in de vorige huiswerk e-mails voor de betreffende documenten


Slide 3 - Tekstslide

Werkwoordspelling

Bekende afbeelding -> pak 'm erbij

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Tegenwoordige tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> lopen
Stap 2: Haal 'en' eraf -> lop
Stap 3: Bepaal de 'ik-vorm" -> ik loop
Stap 4: om wie gaat het? -> ik / ander / meer
ik loop
ander (jij, hij, zij, u) stam/ik-vorm + t -> loopt
meer -> gewoon het hele werkwoord

Slide 6 - Tekstslide

Even oefenen

Maak de volgende oefeningen

Slide 7 - Tekstslide

Boris ........ aan geheugenverlies.

A
lijd
B
leid
C
lijdt
D
leidt

Slide 8 - Quizvraag

De knappe prins ........ de prinses uit de torenkamer (bevrijden).


Slide 9 - Open vraag

De beer ........ vervaarlijk.


bromd
brompt
bromt
brom
A
brom
B
bromt
C
brompt
D
bromd

Slide 10 - Quizvraag

............jij mij om mijn huiswerk vandaag in te leveren? (verbieden)

Slide 11 - Open vraag

Met deze uitspraak ........ de minister op de bezuiniging.
A
doeld
B
doeldt
C
doelt

Slide 12 - Quizvraag

De eekhoorn nam de nootjes mee en ........ ze nu op in de boom (peuzelen).

Slide 13 - Open vraag


Je ........ hier geen grappen over te maken.

A
behoort
B
behoord
C
behoordt
D
behoren

Slide 14 - Quizvraag

Nederland .......... in het oosten aan Duitsland (grenzen).

Slide 15 - Open vraag

Debbie heeft al de hele middag de slappe lach, ze ............. zachtjes achter haar hand (giechelen)
A
giecheld
B
giegeld
C
giechelt
D
giegelt

Slide 16 - Quizvraag


Slide 17 - Open vraag

Jij ........ maar met zo'n tante!

A
boffd
B
bofd
C
bofdt
D
boft

Slide 18 - Quizvraag

............ jij die hond die overal een de boom ....... even af? ((af)leiden, snuffelen).

Slide 19 - Open vraag

Annelies .......... van zwemmen in open water.
A
hout
B
houd
C
hou
D
houdt

Slide 20 - Quizvraag

Dat onkruid ........ er vrolijk op los (woekeren).

Slide 21 - Open vraag

Hij.......... en ........... hevig (uitglijden, bloeden).

Slide 22 - Open vraag

Mila ........haar treinkaartje aan de conducteur (afgeven).

Slide 23 - Open vraag

We gaan het nog even over de tekst van vorige week hebben
Kijk of mee op het scherm of lees de tekst nog eens via je eigen printje of telefoon.

Schrijf alle woorden die je niet begrijpt op.

Slide 24 - Tekstslide

Leestekst
De transformatie van de binnenstad
De opkomst van het hybride werken heeft de dynamiek in moderne steden ingrijpend veranderd. Waar kantorensteden voorheen van negen tot vijf bruisten van de activiteit, kampen deze gebieden nu met een structurele leegloop op de traditionele 'thuiswerkdagen' zoals de woensdag en de vrijdag. 

Slide 25 - Tekstslide

Leestekst
Deze verschuiving heeft verstrekkende gevolgen voor de lokale economie. Vooral de horeca en kleine detailhandel, die voorheen floreerden dankzij de dagelijkse stroom kantoorpersoneel, moeten hun bedrijfsmodel noodgedwongen herzien. Sommige ondernemers kiezen ervoor om hun openingstijden te verkorten, terwijl anderen zich richten op een compleet nieuwe doelgroep: de buurtbewoner in plaats van de forens.

Slide 26 - Tekstslide

Leestekst
Critici waarschuwen dat deze ontwikkeling de sociale cohesie in stadscentra kan aantasten. Een verlaten zakendistrict straalt immers weinig gezelligheid uit en kan op den duur zelfs een gevoel van onveiligheid in de hand werken. Daarentegen zien stedenbouwkundigen juist een unieke kans om de leefbaarheid in de stad te vergroten. 

Slide 27 - Tekstslide

Leestekst
Nu er minder parkeerplaatsen en kantoorruimtes nodig zijn, ontstaat er letterlijk ruimte voor vergroening en woningbouw. Door leegstaande kantoorpanden om te bouwen tot betaalbare appartementen, kan de binnenstad transformeren van een puur functionele werkplek naar een levendige, multifunctionele wijk waar wonen, werken en recreëren hand in hand gaan.

Slide 28 - Tekstslide

Wat betekent de uitdrukking "hand in hand gaan" in de laatste zin van de tekst?
A
Dat verschillende functies elkaar tegenwerken.
B
Dat bewoners vaker samenwerken om de wijk schoon te houden.
C
Dat er strenge regels komen voor het gebruik van de openbare ruimte.
D
Dat verschillende elementen heel goed met elkaar gecombineerd worden.

Slide 29 - Quizvraag

Moeilijke woorden

Beantwoord de volende vragen:

Slide 30 - Tekstslide

Wat betekent het woord 'forens'?

Slide 31 - Open vraag

Wat betekent 'de sociale cohesie'?

Slide 32 - Open vraag

Wat betekent het woord 'stedenbouwkundige'?

Slide 33 - Open vraag

Wat betekent het woord 'floreren'?

Slide 34 - Open vraag

Wat betekent het woord 'aantasten'?

Slide 35 - Open vraag

Wat betekent het 'in de hand werken'?

Slide 36 - Open vraag

Werkwoorden in de verleden tijd

We gaan dit nog eens kort herhalen
Bekende afbeelding -> pak 'm erbij

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Werkwoorden in de verleden tijd
Sterke en zwakke werkwoorden
Sterk: de klank verandert in de verleden tijd -> lopen/liepen
Zwak: de klank verandert niet in de verleden tijd  -> plakken/ plakten

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Video

Stappenplan voor de vervoeging van werkwoorden in de verleden tijd
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter  ja  ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter  nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4

Slide 41 - Tekstslide

Werkwoord: zwaaien
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter  ja  ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter  nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter  kijk hiervoor naar stap 4

Slide 42 - Tekstslide

Werkwoord: zwaaien
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> zwaaien
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> zwaai -> 'i'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik zwaai
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); hij
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> is de 'i" een 't kofschipletter? -> NEE
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Conclusie: Stap 8b: -> hij zwaaide (of zij zwaaiden)

Slide 43 - Tekstslide

Werkwoord: kleden
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter-> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 44 - Tekstslide

Werkwoord: kleden
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> kleden
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> kled -> 'd'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik kleed
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); meer
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> is de 'd" een 't kofschipletter? -> NEE
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> is de 'd' een 't exkofschipletter? -> NEE
Conclusie: Stap 8b: -> zij kleedden (of hij kleedde)

Slide 45 - Tekstslide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 46 - Tekstslide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> bakken
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> bak -> 'k'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik bak
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); ik
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> 
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> is de 'k' een 't exkorfschipletter? -> JA
Conclusie: Stap 8b: -> ik bakte (hij bakte/ zij bakten)

Slide 47 - Tekstslide

Werkwoord: vluchten
Stap 1: Wat is het werkwoord?;
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter;
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’;
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer);
Stap 5: Bepaal de tijd;
Stap 5a: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat;
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’)
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee -> ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4

Slide 48 - Tekstslide

Werkwoord: bakken
Stap 1: Wat is het werkwoord? -> vluchten
Stap 2: Haal ‘en’ eraf (“de stam”) en schrijf/omcirkel de laatste letter; -> vlucht -> 't'
Stap 3: Bepaal de ‘ik-vorm’; -> ik vlucht
Stap 4: Bepaal ‘wie’ (ik/ ander/ meer); meer
Stap 5: We doen even alsof het om de verleden tijd gaat.
Stap 6: Bepaal of het om een zwak of sterk werkwoord gaat; -> zwak
Stap 7: ga terug naar stap 2 en bepaal of het om een ’t exkofschipletter gaat (Oftewel betreft het een een ‘t’, ‘x’, ‘k’, ‘f’, ‘s’, ‘ch’ of een ‘p’) -> 
Stap 8a: ’t exkofschipletter -> ja -> ga naar stap 3 en zet hier ‘te’ (voor enkelvoud) of ‘ten’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4
Stap 8b: ’t exkofschipletter -> nee  ga naar stap 3 en zet hier ‘de’ (voor enkelvoud) of ‘den’ (voor meervoud) achter -> kijk hiervoor naar stap 4 -> Is de 't' een 't exkofschipletter? -> JA
Conclusie: Stap 8b: -> zij vluchtten (ik vluchtte en hij vluchtte)

Slide 49 - Tekstslide

Slide 50 - Video

Even oefenen

Beantwoord de volgende vragen: vervoeg het werkwoord in de verleden tijd.

Slide 51 - Tekstslide

Welke acteur ........ destijds zijn gewonnen Gouden Kalf uit een taxi?
A
gooidde
B
gooiden
C
gooyde
D
gooide

Slide 52 - Quizvraag

Mijn tante ......... de appel (schillen).

Slide 53 - Open vraag

Onze kip legde drie eieren en ........ deze in twintig dagen uit.

A
broeide
B
broedde
C
broede
D
broeidde

Slide 54 - Quizvraag

Papa is zijn smaak kwijt, hij ....... de saus niet (proeven)

Slide 55 - Open vraag

De oude man ........ zich een weg door de menigte.

A
baandde
B
baande
C
baanden
D
baand

Slide 56 - Quizvraag

Het was een chaos: alle leerlingen ........ door elkaar (praten).

Slide 57 - Open vraag

De onderzoeker ........ de oorsprong van zijn familienaam en schreef daar een artikel over.
A
herleide
B
herleidde
C
herleed
D
herleiden

Slide 58 - Quizvraag

De schoolkrantredactie.......... de burgemeester is (interviewen)

Slide 59 - Open vraag

Met deze uitspraak ........ de minister op de bezuiniging.

A
doeldde
B
doelde
C
doelte
D
doelden

Slide 60 - Quizvraag

Het vliegtuig........ midden in de woestijn (landen).

Slide 61 - Open vraag

Bert ........ mij gisteren een reep chocola.





A
geefte
B
gaft
C
gaf
D
geefde

Slide 62 - Quizvraag

Hij ................... (praten) urenlang over zijn plannen voor de toekomst

Slide 63 - Open vraag

In de herfst vallen de          van de bomen. (blad)

Slide 64 - Open vraag

Dictee
Schrijf op de volgende slide de door mij genoemde woorden op en als we klaar zijn druk ja pas op 'enter'.

Slide 65 - Tekstslide


Slide 66 - Open vraag

Herhaling spellingsregel

In sommige woorden hoor je een 'c' die klinkt als 's' of 'k'

Slide 67 - Tekstslide

Huiswerk Oefeningen
V.w.b. het huiswerk: ik krijg nog e.e.a. van je
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 3)-> zie huiswerk vorige week
- Oefeningen m.b.t. tegenwoordige tijd (n.a.v. Les 4)
- Oefeningen m.b.t. lange en korte klanken (n.a.v. Les 4)
- Leer woordenlijst m.b.t. de ‘c’ die soms klinkt als een ‘k’ en soms als een ‘s’ (n.a.v. Les 4)




Slide 68 - Tekstslide

Huiswerk Nieuwsbegrip
- maak de Nieuwsbegrip: lees de Tekst “Weren, kleren en smeren!”) en maakt de bijbehorende opdrachten (Zie uitleg in huiswerk e-mail van vorige week) (n.a.v. Les 3) -> zie huiswerk vorige week
- beantwoording van de vragen n.a.v. Les 1 (Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!"); -> zie huiswerk n.a.v. Les 1
- woordenschat bij de tekst “Brand je niet aan fabels!” n.a.v. Les 2 zie huiswerk n.a.v. Les 1
- Kijk even goed in de vorige huiswerk e-mails voor de betreffende documenten


Slide 69 - Tekstslide

Huiswerk: Nieuwe oefeningen

- Oefeningen m.b.t. werkwoordvervoeging t.t.-> zie huiswerk deze week
- Oefeningen m.b.t. werkwoordvervoeging v.t.-> zie huiswerk deze week





Slide 70 - Tekstslide

Einde les
Ik geef je voor deze week niet heel veel huiswerk mee..

Gebruik je extra tijd om al het vorige huiswerk af te maken!!


Slide 71 - Tekstslide

Een 'c' die klinkt als 's' of 'k'
Woorden met een 'c' zijn weetwoorden.
Als 's'-klank: De 'c' klinkt als een 's' wanneer er een e, i, y of ij achter de 'c' staat (zoals in citroen of cirkel).

Als 'k'-klank: De 'c' klinkt als een 'k' wanneer er een a, o, u of een medeklinker achter staat (zoals in clown of cadeau
 

Slide 72 - Tekstslide

Woorden met 'c' klinkend als 's'
cel
cent
docent centrum
cirkel
centimeter cement
fascineer
fascisme

Slide 73 - Tekstslide

Even oefenen

Vul de volgende oefeningen in

Slide 74 - Tekstslide

De juf is jarig, ik ga haar ...


A
felisiteren
B
felicciteren
C
feliciteren

Slide 75 - Quizvraag

Alle kinderen staan in een ... circel

cirke
A

Slide 76 - Quizvraag

Alle kinderen staan in een ...


A
sircel
B
cirkel
C
circel

Slide 77 - Quizvraag

De winkel ... geen briefjes van 500 euro.

A
aksepteert
B
accepteert
C
akcepteert

Slide 78 - Quizvraag

Au! Die ... heeft scherpe stekels.


A
caktus
B
kactus
C
cactus

Slide 79 - Quizvraag

De artiesten in het ... zijn erg grappig.


A
circus
B
sirkus
C
cirkus

Slide 80 - Quizvraag

5. Onder de ... ziet de onderzoeker een virus.


A
microscoop
B
microskoop
C
mikroscoop

Slide 81 - Quizvraag

Welke woorden zouden hier staan?
a.u
.avia
.a.tus

Slide 82 - Open vraag

Welke woorden zouden hier staan?
a.eptatie
bro.oli
.ijfers

Slide 83 - Open vraag

Welke woorden zouden hier staan?
.itroen
.ontra.t
a.ijns

Slide 84 - Open vraag

Huiswerk
Nieuwsbegrip:
Tekst en opdrachten bij "Brand je niet aan fabels!";
Geef aan of je dit tekstniveau 'lastig' vindt;
Zoek 5 woorden die je niet begrijpt op in een woordenboek.

Slide 85 - Tekstslide