Herhalen Straling en gezondheid

Herhalen H15.4 Radioactiviteit: Straling en gezondheid
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 6

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Herhalen H15.4 Radioactiviteit: Straling en gezondheid

Slide 1 - Tekstslide

Lezen
bestudeer de tekst van H15.4 Straling en gezondheid.
Je hebt hiervoor 10 minuten de tijd (in stilte).

Slide 2 - Tekstslide

Röntgenstraling kan levende cellen in je lichaam beschadigen.

Waardoor komt dat?

A
Röntgenstraling dringt diep in je lichaam door.
B
Röntgenstraling ioniseert atomen in je lichaam.
C
Röntgenstraling laat de temperatuur van cellen in je lichaam toenemen.
D
Röntgenstraling maakt atomen in je lichaam radioactief.

Slide 3 - Quizvraag

Waar kun je röntgenstraling vinden in het elektromagnetisch spectrum?

A
tussen microgolven en infraroodstraling
B
tussen infraroodstraling en licht
C
tussen licht en ultravioletstraling
D
tussen ultravioletstraling en gammastraling

Slide 4 - Quizvraag

De halveringsdikte een materiaal hangt af van de fotonenergie van de röntgenstraling en van de dichtheid van het materiaal.

In welk geval is de halveringsdikte het kleinst?

A
bij een kleine fotonenergie en een lage dichtheid
B
bij een kleine fotonenergie en een hoge dichtheid
C
bij een grote fotonenergie en een lage dichtheid
D
bij een grote fotonenergie en een hoge dichtheid

Slide 5 - Quizvraag

Een bundel röntgenstraling valt op een loden plaat met een dikte van 0,3 mm. De halveringsdikte van lood voor deze straling is 0,1 mm.

Welk percentage van de invallende röntgenstraling wordt doorgelaten?

A
6,25%
B
12,5%
C
25%
D
50%

Slide 6 - Quizvraag

Een bundel röntgenstraling valt op een loden plaat met een dikte van 0,50 mm. Deze plaat absorbeert 75% van de röntgenstraling.

Welke halveringsdikte (ongeveer) heeft lood voor deze straling?

A
0,20 mm
B
0,25 mm
C
0,50 mm

Slide 7 - Quizvraag

Röntgenstraling valt op twee platen lood A en B.
De halveringsdikte van lood voor deze straling is 1,0 mm.
De intensiteit van de invallende straling op plaat A is 2× zo groot als die op plaat B. 
De dikte van plaat A is 2,0 mm. De dikte van plaat B is 1,0 mm.

Hoe groot is de stralingsintensiteit achter plaat A,
vergeleken met de stralingsintensiteit achter plaat B?

A
De intensiteit is 4× zo klein.
B
De intensiteit is 2× zo klein.
C
De intensiteit is even groot.
D
De intensiteit is 2× zo groot.

Slide 8 - Quizvraag

Van welke grootheid is elektronvolt een eenheid?

A
energie
B
kracht
C
lading
D
spanning

Slide 9 - Quizvraag

Waardoor is kernstraling (de straling uitgezonden door radioactieve stoffen) schadelijk voor je lichaam?

A
Deze straling kan atomen in je lichaam ioniseren.
B
Deze straling kan atomen in je lichaam radioactief maken.
C
Deze straling kan de temperatuur van cellen in je lichaam laten toenemen.
D
Deze straling kan diep in je lichaam doordringen.

Slide 10 - Quizvraag

Een atoomkern bestaat uit protonen en neutronen.

Welke bewering is juist?

1 Het atoomnummer is het aantal protonen in de kern.
2 Het massagetal is het aantal neutronen in de kern.

A
Alleen bewering 1 is juist.
B
Alleen bewering 2 is juist.
C
Beide beweringen zijn juist.
D
Beide beweringen zijn onjuist.

Slide 11 - Quizvraag

Van welke soort straling is het ioniserend vermogen het grootst en het doordringend vermogen het kleinst?

A
α-straling
B
β-straling
C
γ-straling
D
röntgenstraling

Slide 12 - Quizvraag

Een bron zendt α-straling uit met een dracht (in lucht) van 7,2 cm.

Welk percentage van de intensiteit van deze α-straling meet je op een afstand van 14,4 cm van de bron?

A
0%
B
25%
C
50%
D
100%

Slide 13 - Quizvraag

Als een instabiele atoomkern vervalt komt er straling vrij.

Bij welke vrijgekomen straling verandert het massagetal van de atoomkern?

A
α-straling
B
β-straling
C
γ-straling

Slide 14 - Quizvraag

Als een instabiele atoomkern vervalt komt er straling vrij.

Bij welke vrijgekomen straling neemt het atoomnummer toe?

A
α-straling
B
β−-straling
C
γ-straling

Slide 15 - Quizvraag

Wat moet er op de plek van de vraagtekens staan?

A
56 en Ba
B
58 en Ce
C
60 en Nd
D
62 en Sm

Slide 16 - Quizvraag

Wat moet er op de plek van de vraagtekens staan?

A
62 en Sm
B
62 en Gd
C
64 en Gd
D
64 en Sm

Slide 17 - Quizvraag

Hieronder staan drie diagrammen.
Welk diagram geeft de verandering van het aantal instabiele kernen N in de loop van de tijd t correct weer?

A
diagram links
B
diagram midden
C
diagram rechts

Slide 18 - Quizvraag

Hieronder staan vier definities van de activiteit van een radioactieve bron.

Welke definitie is correct?

A
Het aantal instabiele kernen dat vervalt.
B
Het aantal instabiele kernen dat vervalt gedurende de halveringstijd.
C
Het aantal instabiele kernen dat per seconde vervalt.
D
Het aantal α-, β- en γ-deeltjes dat per kern wordt uitgezonden.

Slide 19 - Quizvraag

Twee radioactieve bronnen A en B bestaan op het tijdstip t = 0 uit hetzelfde aantal instabiele kernen. De halveringstijd van het radioactieve materiaal in bron A is groter dan die van het materiaal in bron B.

Wat is de activiteit van bron A op het tijdstip t = 0, vergeleken met de activiteit van bron B op datzelfde tijdstip?

A
De activiteit van bron A is kleiner.
B
De activiteit van bron A is even groot.
C
De activiteit van bron A is groter.

Slide 20 - Quizvraag

Na hoeveel halveringstijden is de activiteit van een radioactieve bron verdwenen?

A
na 2 halveringstijden
B
na 10 halveringstijden
C
na circa 100 halveringstijden
D
De activiteit verdwijnt nooit helemaal.

Slide 21 - Quizvraag

Een radioactieve bron heeft een activiteit van 100 MBq.
De halveringstijd van de radioactieve stof is 1,5 jaar.

Welke activiteit heeft deze radioactieve bron 6,0 jaar later?

A
3,1 MBq
B
6,3 MBq
C
12,5 MBq
D
25 MBq

Slide 22 - Quizvraag

Van een radioactieve bron is de activiteit in 6 maanden tijd afgenomen van 10 MBq tot 1,2 MBq.

Welke halveringstijd heeft de radioactieve stof in deze bron (ongeveer)?

A
1 week
B
3 weken
C
8 weken
D
12 weken

Slide 23 - Quizvraag

Van twee radioactieve bronnen A en B is de activiteit van bron B op het tijdstip t = 0 tweemaal zo groot als die van bron A. De halveringstijd van de radioactieve stof in bron A is tweemaal zo groot als die van bron B.

Op welk tijdstip is de activiteit van beide bronnen gelijk?

A
na één halveringstijd van bron B
B
na twee halveringstijden van bron B
C
na vier halveringstijden van bron B
D
op geen enkel tijdstip

Slide 24 - Quizvraag

Welke van deze maatregelen is of zijn geschikt om je lichaam te beschermen tegen de straling van een radioactieve bron?

A
Afscherming van je lichaam met een absorberend materiaal zoals lood.
B
Afstand houden tot de bron.
C
Beperken van de tijd dat je in de buurt van de bron bent.

Slide 25 - Quizvraag

Welke van de volgende uitspraken over bestraling en besmetting is juist?

A
Bij bestraling is α-straling gevaarlijker voor het lichaam dan bij besmetting.
B
Bij bestraling raakt het lichaam radioactief, en is er dus sprake van besmetting.
C
Bij besmetting wordt het lichaam niet bestraald.
D
Bij gebruik van een radioactieve stof als tracer is sprake van besmetting.

Slide 26 - Quizvraag

Bij bestrijding van tumoren wordt soms gebruikt gemaakt van inwendige bestraling.

Wat is het belangrijkste voordeel van inwendige bestraling ten opzichte van uitwendige bestraling?

A
De duur van de bestraling is veel groter bij inwendige bestraling.
B
De patiënt raakt bij inwendige bestraling niet besmet.
C
Er ontstaat minder schade aan omliggende weefsels.
D
Er wordt β-straling gebruikt, wat minder schadelijk is voor de patiënt dan γ-straling.

Slide 27 - Quizvraag

Waarvan hangt de weegfactor wR af?

A
De biologische schade die de stralingssoort veroorzaakt.
B
De energie van het soort straling per deeltje.
C
Het aantal atomen dat één stralingsdeeltje kan ioniseren.
D
Hoe diep een stralingsdeeltje in het lichaam doordringt.

Slide 28 - Quizvraag

Twee identieke voorwerpen worden bestraald:
voorwerp A met α-straling
voorwerp B met β-straling
Beide voorwerpen absorberen evenveel energie.

Hoe groot is de dosis voor voorwerp A, in vergelijking met de dosis voor
voorwerp B?

A
Deze is kleiner.
B
Deze is even groot.
C
Deze is groter.

Slide 29 - Quizvraag

Twee identieke voorwerpen worden bestraald:
voorwerp A met α-straling
voorwerp B met β-straling
Beide voorwerpen absorberen evenveel energie.

Hoe groot is de equivalente dosis voor voorwerp A, in vergelijking met de equivalente dosis voor voorwerp B?

A
Deze is kleiner.
B
Deze is even groot.
C
Deze is groter.

Slide 30 - Quizvraag