Pallas les 3a

eerste keer naamwoorden
Grieks
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

eerste keer naamwoorden
Grieks

Slide 1 - Tekstslide

Welke uitgang?
DRIE groepen uitgangen.
alfa/ eta :  ἡ μάχη, ἡ χώρα en ὁ δεσπότης.
omikron :  ὁ δοῦλος   &  τὸ θηρίον
rest (pas in les 9)

Slide 2 - Tekstslide

de alfa-ètagroep
ἡ μάχη           αἱ μάχαι                  
τῆς μάχης     τῶν μαχν
τῇ μάχ         ταῖς μάχαις
τὴν μάχην     τὰς μάχας

schrijf nu ook het rijtje van ἡ χώρα over en geef de uitgangen dezelfde kleuren. Wat valt je op?

Slide 3 - Tekstslide

de alfa-ètagroep: mixje
ὁ δεσπότης
τοῦ δεσπότου
τῷ δεσπότῃ
τὸν δεσπότην
οἱ δεσπόται
τῶν δεσποτῶν
τοῖς δεσπόταις
τοὺς δεσπότας

Slide 4 - Tekstslide

Wat klopt daar?
A
ὁ δεσπότης is mannelijk
B
het rijtje ὁ δεσπότης is lastig uitspreken
C
ὁ δεσπότης gaat als ἡ μάχη
D
A, B, C kloppen allemaal

Slide 5 - Quizvraag

ὁ δεσπότης is een rijtje met een leuke mix, want....

Slide 6 - Open vraag

de omikrongroep
ὁ δοῦλ-ος                
τοῦ δούλ-ου
τῷ δούλ-
τὸν δοῦλ-ον
het meervoud:
οἱ δοῦλ-οι
τῶν δούλ-ων   
τοῖς δούλ-οις
τοὺς δούλ-ους
onzijdig:

τὸ θηρίον =  nom.,acc.  

τὰ θηρία =  nom., acc.



Slide 7 - Tekstslide

alfa/eta-groep
omikrongroep
ὁ ἄνθρωπος
κατάλογος
γυμνάσιον
ὁ δεσπότης
ἡ μάχη
ἡ χώρα

Slide 8 - Sleepvraag

Benoem de naamval van:
φόβον
A
nominativus
B
genitivus
C
dativus
D
accusativus

Slide 9 - Quizvraag

Welke vorm staat niet in de nominativus?
A
ὁ δεσπότης
B
τῆς χώρας
C
ἡ μάχη
D
αἱ χῶραι

Slide 10 - Quizvraag

Welke vorm staat in het meervoud?
A
ὁ δοῦλος
B
ἡ μάχη
C
αἱ χῶραι
D
τὸν δοῦλον

Slide 11 - Quizvraag

welke uitgang is géén dativusvorm?
A
οις
B
ην
C
αι
D

Slide 12 - Quizvraag

uitgang = naamval
de naamvallen van het Grieks zijn
nominativus/ accusativus = les 3
genitivus/ dativus = les 4 en 5

Slide 13 - Tekstslide

Kijk naar de uitgang!
> enkelvoud of meervoud
> naamval 

Slide 14 - Tekstslide

functies nominativus
ONDERWERP
NAAMWOORDELIJK DEEL

Slide 15 - Tekstslide

Wat is het onderwerp?

Ὁ δ’ Ἡρακλῆς οὐ φόβον ἔχει
A
Ὁ δ’ Ἡρακλῆς
B
φόβον
C

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het onderwerp?

οὐ δε φόβον ὁ Ἡρακλῆς ἔχει
A
φόβον
B
ὁ Ἡρακλῆς

Slide 17 - Quizvraag

naamwoordelijk deel
staat in de nominativus
in de zin staat een koppelwerkwoord
voor het nw.deel geen lidwoord

Slide 18 - Tekstslide

Wat is het naamwoordelijk deel?
ὁ Ἡρακλῆς δοῦλός ἐστιν.
A
ὁ Ἡρακλῆς
B
δοῦλός

Slide 19 - Quizvraag

functie accusativus
lijdend voorwerp / object
na een voorzetsel + acc.

Slide 20 - Tekstslide

ἡ χωρα
wat is de dativus enkelvoud?
A
χωρας
B
χωρῃ
C
χωρι
D
χωρᾳ

Slide 21 - Quizvraag

Welke vorm kan een accusativus zijn?
A
οἱ
B
τῆς
C
τόν
D
τῶν

Slide 22 - Quizvraag

Wat is ook alweer de functie van de accusativus?
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 23 - Quizvraag

Wat is het lijdend voorwerp?
Εὐρυσθεὺς τὸν δοῦλον πέμπει.
A
Εὐρυσθεὺς
B
τὸν δοῦλον
C
πέμπει

Slide 24 - Quizvraag

Hoe vond je dit gaan? Beheers je de stof?

Slide 25 - Open vraag