functie nom +acc

Ὁ Εὐρυσθεὺς δεσπότης ἐστὶ καὶ δούλους ἔχει.
Welke functie heeft: δεσπότης
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling
1 / 14
volgende
Slide 1: Quizvraag
GrieksMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Ὁ Εὐρυσθεὺς δεσπότης ἐστὶ καὶ δούλους ἔχει.
Welke functie heeft: δεσπότης
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 1 - Quizvraag

Ὁ Εὐρυσθεὺς δεσπότης ἐστὶ καὶ δούλους ἔχει.
Welke functie heeft: δούλους
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 2 - Quizvraag

Ὁ δ' Ἡρακλῆς οἰστοὺς τοξεύει πρὸς τὸ θηρίον.
Welke functie heeft: Ὁ Ἡρακλῆς
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 3 - Quizvraag

Ὁ δ' Ἡρακλῆς οἰστοὺς τοξεύει πρὸς τὸ θηρίον.
Welke functie heeft: οἰστοὺς
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 4 - Quizvraag

Ὁ δ' Ἡρακλῆς οἰστοὺς τοξεύει πρὸς τὸ θηρίον.
Welke functie heeft: τὸ θηρίον
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 5 - Quizvraag

ἡ χώρα θηρία ἔχει.
Welke functie heeft: ἡ χώρα
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 6 - Quizvraag

ἡ χώρα θηρία ἔχει.
Welke functie heeft: θηρία
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 7 - Quizvraag

Βαίνει πρὸς τὸ σπήλαιον ὁ ἥρως.
Welke functie heeft: ὁ ἥρως
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 8 - Quizvraag

Βαίνει πρὸς τὸ σπήλαιον ὁ ἥρως.
Welke functie heeft: τὸ σπήλαιον
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 9 - Quizvraag

Τὸν Ἡρακλέα τὸ θηρίον λαμβάνει.
Welke functie heeft: Τὸν Ἡρακλέα
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 10 - Quizvraag

Τὸν Ἡρακλέα τὸ θηρίον λαμβάνει.
Welke functie heeft: τὸ θηρίον
A
Onderwerp
B
Naamwoordelijk deel
C
Lijdend Voorwerp
D
Bijwoordelijk bepaling

Slide 11 - Quizvraag

Vul de juiste vorm in:
Ο λέων ........... οὐκ ἔχει
A
ὁ φοβος
B
φοβον
C
φοβος

Slide 12 - Quizvraag

Vul de juiste vorm in:
῾Ο ῾Ηρακλῆς ...... οὐκ ἔστιν
A
ό δοῦλος
B
τὸν δοῦλον
C
δοῦλος

Slide 13 - Quizvraag

Vul de juiste vorm in:
Ὁ θεὸς εἰς ........ βαίνει
A
Μυκήνη
B
ἡ Μυκήνη
C
τὴν Μυκήνην

Slide 14 - Quizvraag