Basis rekenen: cijfers en getallen tot 100

Basis rekenen: cijfers en getallen tot 100

1 / 25
volgende
Slide 1: Slide
newEditorOkanBuitengewoon lager onderwijs

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Basis rekenen: cijfers en getallen tot 100

Wat weet jij al over cijfers en getallen tot 100?

Leerdoelen

Aan het einde van de les kun je cijfers tot 100 herkennen, getallen lezen en schrijven, en eenvoudige rekentaal zoals optellen en aftrekken gebruiken.

Wat weet jij al?

Wat weet jij al over cijfers en getallen tot 100? Deel het met de klas.

Wat zijn cijfers en getallen?

Getallen

Cijfers

Getallen bestaan uit één of meer cijfers: 13, 45, 99.

Cijfers zijn losse symbolen: 0, 1, 2, …, 9.

Cijfers tot 10

Dit zijn de cijfers 0 tot en met 9. Je gebruikt ze om getallen te maken.

Tientallen en eenheden

In getallen tot 100 heb je meestal een tiental en een eenheid: 54 = 5 tientallen + 4 eenheden.

Getallen tot 100

Je kunt tellen van 1 tot 100. Probeer samen te tellen!

Het cijfer nul

Nul betekent: niets. Bijvoorbeeld: 0 appels = geen appels.

De getallenlijn

Wat is optellen?

Optellen betekent samenvoegen. Bijvoorbeeld: 5 + 3 = 8.

Wat is aftrekken?

Aftrekken betekent weghalen. Bijvoorbeeld: 9 - 4 = 5.

Optellen en aftrekken in woorden

Over, min, verschil, hoeveel over?

Samen, totaal, plus, en, hoeveel in totaal?

Aftrekken

Optellen

Oefening: cijfers schrijven

Schrijf de cijfers 0 tot en met 9 op papier.

Oefening: getallen lezen

Lees deze getallen hardop: 7, 18, 36, 49, 72, 100.

Oefening: getallen horen

De leraar zegt een getal tussen 1 en 100. Schrijf dat getal op.

Oefening: optellen tot 20

Oefening: optellen voorbeelden

Reken uit: 3 + 4, 8 + 7, 15 + 5, 19 + 1.

Oefening: aftrekken tot 20

Reken uit: 9 - 2, 14 - 8, 20 - 5, 17 - 1.

Oefening: getallen tot 100

Welke getallen hoor of zie je? Vul aan tot 100.

Reflectie

Wat vind je makkelijk? Wat moeilijk? Deel je antwoord.

Gefeliciteerd! Je hebt geoefend met rekenen.

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.