Les 2 juni 2020

Programm:
Terugkoppeling
Stukje Grammatica 
Oefenen
Afsluiting
Herzlichen Wilkommen 
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Programm:
Terugkoppeling
Stukje Grammatica 
Oefenen
Afsluiting
Herzlichen Wilkommen 

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoelen 
Je kent de rijtjes van 'haben' en 'sein'.
Je kunt Duitse zwakke werkwoorden vervoegen. 
Je kent de uitgangen van zwakke werkwoorden. 
Je kent de persoonlijke voornaamwoorden.

Slide 2 - Tekstslide

ich
du
sie
er
es
man
wir
ihr
sie
u
IK
U
ZIJ MV.
JULLIE
WIJ
MEN
HET
ZIJ EV.
HIJ
JIJ

Slide 3 - Sleepvraag

'haben' en 'sein'
Dat zijn de werkwoorden hebben en zijn. Deze heb je n bijna iedere zin nodig.
Zeker voor zinnen met een voltooid deelwoord.

Slide 4 - Tekstslide

Het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 5 - Sleepvraag

Het werkwoord sein
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind

Slide 6 - Sleepvraag

Wie alt (bent u)?
(Hij is) 13 Jahre alt.
Wo (ben jij) geboren?
(Ik ben) in Berlin geboren.
(Het is) eine schöne Stadt.
sind Sie
er ist
bist du
ich bin
es ist

Slide 7 - Sleepvraag

Haben: ich
A
habe
B
hast
C
habt

Slide 8 - Quizvraag

Sein: du
A
bist
B
bin
C
sind
D
hast

Slide 9 - Quizvraag

haben: wir
A
habt
B
habe
C
haben
D
sind

Slide 10 - Quizvraag

sein: ihr
A
sind
B
seit
C
seid
D
ist

Slide 11 - Quizvraag

haben: ihr
A
haben
B
habt
C
habe
D
hast

Slide 12 - Quizvraag

sein: Sie
A
seid
B
ist
C
sind
D
war

Slide 13 - Quizvraag

haben: sie (mv)
A
habt
B
haben
C
hat
D
sind

Slide 14 - Quizvraag

Welke vraagwoorden zijn er?

wie = wer

wat = was

waar = wo

hoe = wie

wanneer= wann

Slide 15 - Tekstslide

Wat betekent ''was''?
A
waar
B
wie
C
wanneer
D
wat

Slide 16 - Quizvraag

Wat betekent het Duitse woordje "wie"?
A
waar
B
wie
C
wanneer
D
hoe

Slide 17 - Quizvraag

Wat betekent wer?
A
wie
B
hoe
C
wat
D
waar

Slide 18 - Quizvraag

________ kommst du morgen? Um halb 10
A
wer
B
wie
C
wann
D
woher

Slide 19 - Quizvraag

_______ heißt du?
A
was
B
wie
C
wo
D
wann

Slide 20 - Quizvraag

_______ ist das?
A
wo
B
wer
C
wann
D
was

Slide 21 - Quizvraag

______ kommst du? Freitag
A
wer
B
wie
C
was
D
wann

Slide 22 - Quizvraag

Geslacht van znw
Mannelijke personen of dieren --> der
Vrouwelijke personen of dieren --> die
Onzijdige woorden, het-woorden --> das

Slide 23 - Tekstslide

timer
1:00
die
der
das
Mann
Frau
Kind
Junge
Schule
Mädchen

Haus
Lehrer

Lehrerin

Slide 24 - Sleepvraag

Werkwoorden
Regelmatige werkwoorden

Slide 25 - Tekstslide

Doel

Ik weet wat regelmatige werkwoorden zijn

Ik kan regelmatige werkwoorden vervoegen

Slide 26 - Tekstslide

Een zwak werkwoord bestaat uit een stam en een uitgang. De stam maak je door:
A
De ich-vorm
B
het hele ww - en

Slide 27 - Quizvraag

Regelmatige werkwoorden
Vervoegen van het werkwoord door eerst de stam op te schrijven. De stam is het hele werkwoord - en of - n.
Voorbeeld: 
wohnen = wohn
kaufen = kauf
reisen = reis 

Slide 28 - Tekstslide

De stam van spielen is dus:

Slide 29 - Open vraag

Regelmatige werkwoorden: uitgangen
werkwoord: wohnen, stam:wohn
ich wohn e
du wohn st
er/sie es wohn t
wir wohn en
ihr wohn t
sie wohn en
Sie wohn en


Slide 30 - Tekstslide

Ich krijgt als uitgang
A
e
B
en
C
t
D
st

Slide 31 - Quizvraag

du krijgt als uitgang
A
t
B
st
C
en
D
e

Slide 32 - Quizvraag

wir, sie en Sie krijgen als uitgang
A
t
B
en
C
st
D
e

Slide 33 - Quizvraag

ich
du
er/ sie es
wir
ihr
Sie/ sie
wohne
wohnst
wohnt
wohnen
wohnt
wohnen

Slide 34 - Sleepvraag

Regelmatige werkwoorden: uitgangen
werkwoord: kaufen, stam: kauf
ich kauf e
du kauf st
er/sie es kauf t
wir kauf en
ihr kauf t
sie kauf en
Sie kauf en


Slide 35 - Tekstslide

du (kaufen).
A
kaufet
B
kaufe
C
kaufen
D
kaufst

Slide 36 - Quizvraag

Ich (spielen)
A
spielt
B
spiele
C
spielen
D
gespielt

Slide 37 - Quizvraag

ihr (machen)
A
machen
B
machst
C
macht
D
machet

Slide 38 - Quizvraag

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Ich (hören) gerne Musik.
A
hort
B
höre
C
horst
D
horen

Slide 39 - Quizvraag

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Ihr (kaufen) solche teuere Sachen.
A
kaufst
B
kaufen
C
kaufet
D
kauft

Slide 40 - Quizvraag

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Du (besuchen) die Oma.
A
besucht
B
besuchst
C
besuchen
D
besuche

Slide 41 - Quizvraag

Vervoeg de werkwoorden tussen de haakjes:
Ich (spielen) gern Tennis.
A
spielt
B
spiele
C
spielen
D
spielst

Slide 42 - Quizvraag

Slide 43 - Tekstslide