Future tense

Learning goals today:

    - I know how to use the future tense with "going to"
       and will
 
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1,2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Learning goals today:

    - I know how to use the future tense with "going to"
       and will
 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Summary, write down
1. vaste tijden, bijv. openingstijden, roosters vervoer of school etc. -> present simple (+S)
2: plannen, voorspellingen, voornemens: nog niet zeker -> will + ww
3: vaststaande plannen, actie is genomen (bijv. hotel is al geboekt voor de vakantie): am/are/is + going to + ww

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Future: to be going to
When to use: 
(1) Om aan te geven dat iemand iets in de toekomst van plan is
I am going to visit my grandparents tomorrow
(2) Een voorspelling waarvan je zeker weet dat het gaat gebeuren (je hebt bewijs).
Look at those grey clouds. It is going to rain.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

How do we make the future tense with going to?

Slide 4 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies



am


is
are
 you
 he
 you
   I
 she
  it
we
they

Slide 5 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ontkenning: where in this sentence do we place 'not'?
I am going to do homework.
A
I not am going to do homework.
B
I am not going to do homework.
C
I am going to not do homework.
D
I am going to do homework not.

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

VRAAGZIN: Zet de woorden in de goede volgorde. 
in the ocean
swim
going to
Simon
is
they
are
going to
buy
new trainers

Slide 7 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

We _________ watch the game at my cousin's.

Slide 8 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

She ________ play hockey next Tuesday.

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Next week I _______ visit my aunt Helen.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

You _______ play a new game this evening.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

am/is/are + going to + ww
The learning goal:

    - I know how to use the future tense with "going to".
 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Learning goals today:

    - I know how to use the future tense with "will".
 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Future tense with 'will'
 will + ww
She will clean her room this afternoon.

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Future: will
When to use: 
(1) Om iets aan the bieden, bij beloftes, aankondigingen.
The match will start in a few minutes. (aankondiging)
Yes mom, I will clean my room tonight. (belofte)
(2) Een voorspelling zonder dat je weet of het gaat gebeuren. (je hebt GEEN bewijs).
 I think they will win the match.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

How do we make the future tense with will?

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ontkenningen en vraagzinnen
Bij ontkennende zinnen plaats je het woord "not" tussen "will" en het werkwoord.
They will not arrive on time. OF They won't arrive on time.
Bij vraagzinnen komt "will" vooraan in de zin. 
Let op! Bij I and we gebruik je "shall" in plaats van will.
Will they arrive on time?
Shall I call you tomorrow?
Shall we play a game?

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontkenning: where in this sentence do we place 'not'?
Ray will come to school tomorrow.
A
Ray not will come to school tomorrow.
B
Ray will come not to school tomorrow.
C
Ray will not come to school tomorrow.
D
Ray won't come to school tomorrow.

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


7. The weather ________ be sunny and dry tomorrow.

8. Marc ________ join us for dinner, he's not hungry.

9. _______ we meet at eight on Friday?

10. Maybe they _______ give you you money back if you ask nicely.
will
won't
shall
will

Slide 19 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple
Explanation

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present simple
Regel:
Gebruik het hele werkwoord bij: I / you / we / they / meervoud
Gebruik een –s achter het ww bij: he / she / it / 1 jongen/meisje

Wanneer gebruik je deze tijd?
Bij tijden volgens een vast schema (openingstijden, dienstregelingen, werk-/schoolroosters, etc.)





Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

They ............................ football every day.
A
play
B
plays

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

The train ...................... at 11.45.
A
leave
B
leaves

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

The shop ........................... at eight o'clock.
A
open
B
opens

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

will + ww
Did we achieve the learning goal:

    - I know how to use the future tense with "will".
 

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

will or am/is/are going to? or present simple?
Choose the right answer in the next following questions!

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Fill in the gap, use a form of 'will' or 'to be going to' and the verb between brackets:

John .... (to fly) to Paris next week.
A
is going to fly
B
will fly
C
shall fly
D
is willing to go flying

Slide 27 - Quizvraag

plan, maar de kaartjes zijn nog niet gekocht. If so, John is flying to Paris. 
Fill in the gap, use a form of 'will' or 'to be going to' and the verb between brackets:

The train .......... (to leave) AT 7 PM. .
A
is going to fly
B
will fly
C
shall fly
D
leaves

Slide 28 - Quizvraag

plan, maar de kaartjes zijn nog niet gekocht. If so, John is flying to Paris. 
Fill in the gap, use a form of 'will' or 'to be going to' and the verb between brackets:

In 2030 people ... (to buy, only) hybrid or electric cars.
A
are going to only buy
B
are only going to buy
C
will only buy
D
only will buying

Slide 29 - Quizvraag

prediction with no proof
Fill in the gap, use a form of 'will' or 'to be going to' and the verb between brackets:

Paul's sister ... (to have) a baby next month.
A
has
B
is going to have
C
will have
D
is willing to have

Slide 30 - Quizvraag

prediction based on proof
Fill in the gap, use a form of 'will' or 'to be going to' and the verb between brackets:

Look at the clouds! It ... (to rain) soon.
A
rains
B
will rain
C
is going to rain
D
shall rain

Slide 31 - Quizvraag

Clouds provide proof: prediction with proof.
I understand the Future tense with will and to be going to
0100

Slide 32 - Poll

Deze slide heeft geen instructies