Woordenschat: Disk- thema wonen

Woordenschat - Disk🏢 wonen 🏘️

roze & groen

1 / 41
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNT2WoordenschatISK

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Woordenschat - Disk🏢 wonen 🏘️

roze & groen

Deze slide heeft geen instructies

Lesdoelen

Ik begrijp nieuwe Nederlandse woorden over wonen.

Ik kan de woorden gebruiken in een voorbeeldzin.




Deze slide heeft geen instructies

Welke Nederlandse woorden over plaatsen of dingen ken je al?

Gebruik de inzendingen om voorkennis te activeren. Let op woorden over plek, huis, beweging en beschrijving.



Betekenis: een kleur tussen rood en wit.


Voorbeeldzin: Zij draagt vandaag een roze trui.

lopen



Betekenis: je verplaatst je te voet.


Voorbeeldzin: Ik loop elke ochtend naar school.

roze

roze groen

Deze slide heeft geen instructies



Betekenis: een plaats of kamer waar dingen kunnen staan.

Voorbeeldzin: In deze ruimte staan veel stoelen.

de ruimte

met



Betekenis: samen met iemand of iets.


Voorbeeldzin: Ik ga naar het bos met mijn vriendin.

roze groen

Hier betekent 'de ruimte' een kamer of plaats in een gebouw, niet het heelal.



Betekenis: niet netjes of rommelig.


Voorbeeldzin: De vrouw is slordig. Haar bureau is niet netjes.

naast

slordig



Betekenis: aan de zijkant van iets of iemand.


Voorbeeldzin: De pen ligt naast het potlood.

roze groen

Deze slide heeft geen instructies

de spreker



Betekenis: opgeruimd en verzorgd.


Voorbeeldzin: Het bureau is netjes opgeruimd.



Betekenis: iemand die spreekt.


Voorbeeldzin: De spreker vertelt een interessant verhaal.

netjes

roze groen

Deze slide heeft geen instructies



Betekenis: het woord voor ontkenning.


Voorbeeldzin: Ik ga vandaag niet naar buiten, want het regent.

de trap

niet



Betekenis: treden om naar boven of beneden te gaan.


Voorbeeldzin: Wij lopen snel de trap op.

roze groen

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent het woord 'ruimte' in deze les?

A

een kamer

B

een kleur

C

een trap

D

een vorm

Controleer dat leerlingen 'de ruimte' hier begrijpen als kamer of plaats, niet als heelal.

Vul de juiste woorden in

Ik loop naar school met mijn vriend.

De tas staat naast de deur.

Mijn kamer is niet slordig. Ik ruim altijd netjes op.

Mijn t-shirt is roze, ik vind dat een mooie kleur.

Als ik de trap neem in plaats van de lift, wordt ik moe.

De spreker moet praten voor een grote groep mensen.

loop
met
naast
slordig
roze
trap
spreker

Woorden uit het eerste blok: lopen, met, naast, slordig.

de verdieping



Betekenis: lager dan of beneden iets.


Voorbeeldzin: De kat ligt onder de tafel.

onder



Betekenis: een etage in een gebouw.


Voorbeeldzin: Het klaslokaal is op de tweede verdieping.

roze groen

Deze slide heeft geen instructies



Betekenis: alle auto's, fietsen en mensen op de weg.


Voorbeeldzin: Het verkeer is druk in de stad.

het verkeer

overal



Betekenis: op alle plaatsen.


Voorbeeldzin: In de herfst liggen overal bladeren.

roze groen

Deze slide heeft geen instructies

![verzamelen](people gathering)


Betekenis: bij elkaar komen of dingen bijeenbrengen.


Voorbeeldzin: De leerlingen verzamelen op het schoolplein.

**de plek**

**verzamelen**

![de plek](meeting place)


Betekenis: een plaats of locatie.


Voorbeeldzin: Dit is een rustige plek om te lezen.

roze groen

Deze slide heeft geen instructies

**de ruimte**

![de ruimte](empty room)


Betekenis: een plaats of kamer met plek.


Voorbeeldzin: Er is veel ruimte in de zaal.

**het vierkant**

![het vierkant](square shape)


Betekenis: een vorm met vier gelijke zijden.


Voorbeeldzin: Op het bord teken ik een vierkant.

roze groen

Het woord 'de ruimte' komt hier opnieuw terug. Herhaal de betekenis en laat leerlingen het woord in een nieuwe context zien.

**schoonmaken**

**vrolijk**

![vrolijk](happy person)


Betekenis: blij en opgewekt.


Voorbeeldzin: Zij is vrolijk op haar verjaardag.

![schoonmaken](cleaning room)


Betekenis: iets netjes en schoon maken.


Voorbeeldzin: Wij gaan vanmiddag de keuken schoonmaken.

roze groen

Deze slide heeft geen instructies

Waar is het klaslokaal op de tweede verdieping?

A

op een etage

B

onder een bed

C

naast de stad

D

in het verkeer

Toetst begrip van 'verdieping' als etage in een gebouw.

Kies de passende woorden

De schoenen staan onder het bed. Wij lopen de trap op naar de tweede verdieping. Op straat is het verkeer druk.

onder
trap
verdieping
verkeer
naast
plek
vierkant
vrolijk

Woorden uit het tweede blok: onder, trap, verdieping, verkeer.

de slaapkamer & slapen

![de slaapkamer](bedroom)


Betekenis: de kamer waar je slaapt.


Voorbeeldzin: Mijn slaapkamer is boven.

![slapen](person sleeping)


Betekenis: rusten in bed.


Voorbeeldzin: Ik slaap acht uur per nacht.

**slapen**

**de slaapkamer**

Deze slide heeft geen instructies

de soort & spullen

![de soort](different types of fruit)


Betekenis: een type of categorie.


Voorbeeldzin: Welke soort fruit eet jij graag?

![spullen](personal belongings)


Betekenis: dingen die je hebt of gebruikt.


Voorbeeldzin: Mijn spullen liggen in de kast.

**de soort**

**spullen**

Deze slide heeft geen instructies

de stad

Betekenis: een grote plaats waar veel mensen wonen.


Voorbeeldzin: In deze stad rijden veel bussen en fietsen.

Omdat er een oneven aantal woorden is, staat het laatste woord alleen op deze slide.

Wat betekent 'verzamelen' in de zin over leerlingen?

A

bij elkaar komen

B

rustig slapen

C

iets tekenen

D

snel lopen

Sluit aan op de voorbeeldzin: 'De leerlingen verzamelen op het schoolplein.'

Maak de tekst compleet

Dit is een rustige plek om te lezen. In de zaal is veel ruimte. Op het bord teken ik een vierkant. Daarna gaan wij de keuken schoonmaken.

plek
ruimte
vierkant
schoonmaken
stad
soort
trap
roze

Woorden uit het derde blok: plek, ruimte, vierkant, schoonmaken.

Welk nieuw woord gebruik jij vandaag in een zin?

Mogelijke goede antwoorden noemen één geleerd woord en tonen begrip via een korte context of voorbeeld, bijvoorbeeld slaapkamer, slapen, spullen, soort of stad.

Meerkeuzevragen 1

  1. Wat betekent lopen?

  • A. zitten

  • B. te voet gaan

  • C. slapen


  1. Welke zin past bij roze?

  • A. De banaan is roze.

  • B. Mijn tas is roze.

  • C. De stoel loopt snel.

Antwoorden: 1B, 2B

Meerkeuzevragen 2

  1. Wat betekent met?

  • A. samen met

  • B. zonder

  • C. onder


  1. Wat is de ruimte?

  • A. een kleur

  • B. een kamer of plaats

  • C. een trap

Antwoorden: 1A, 2B

Meerkeuzevragen 3

  1. Waar staat iets als het naast de deur staat?

  • A. aan de zijkant van de deur

  • B. onder de deur

  • C. in de deur


  1. Wat betekent slordig?

  • A. rommelig

  • B. vrolijk

  • C. vierkant

Antwoorden: 1A, 2A

Meerkeuzevragen 4

  1. Wat betekent netjes?

  • A. druk

  • B. opgeruimd

  • C. vies


  1. Wie is de spreker?

  • A. iemand die spreekt

  • B. iemand die slaapt

  • C. iemand die rijdt

Antwoorden: 1B, 2A

Meerkeuzevragen 5

  1. Wat betekent niet?

  • A. ontkenning

  • B. richting

  • C. kleur


  1. Wat is de trap?

  • A. een bed

  • B. treden naar boven of beneden

  • C. een plein

Antwoorden: 1A, 2B

Meerkeuzevragen 6

  1. Waar is iets als het onder de tafel staat?

  • A. erboven

  • B. ernaast

  • C. erbeneden


  1. Wat is de verdieping?

  • A. een etage in een gebouw

  • B. een straat in de stad

  • C. een soort kleur

Antwoorden: 1C, 2A

Meerkeuzevragen 7

  1. Wat betekent overal?

  • A. op alle plaatsen

  • B. op één plek

  • C. nooit


  1. Wat is het verkeer?

  • A. een slaapkamer

  • B. auto's, fietsen en mensen op de weg

  • C. een gebouw

Antwoorden: 1A, 2B

Meerkeuzevragen 8

  1. Wat is de plek?

  • A. een plaats

  • B. een spreker

  • C. een verdieping


  1. Wat betekent verzamelen?

  • A. kapotmaken

  • B. bij elkaar komen

  • C. verdwalen

Antwoorden: 1A, 2B

Meerkeuzevragen 9

  1. Wat is het vierkant?

  • A. een kleur

  • B. een vorm met vier gelijke zijden

  • C. een straat


  1. Wat betekent schoonmaken?

  • A. iets vies maken

  • B. iets tekenen

  • C. iets schoon maken

Antwoorden: 1B, 2C

Meerkeuzevragen 10

  1. Wat betekent vrolijk?

  • A. blij

  • B. moe

  • C. boos


  1. Wat is de slaapkamer?

  • A. de kamer waar je kookt

  • B. de kamer waar je slaapt

  • C. de kamer waar je fietst

Antwoorden: 1A, 2B

Meerkeuzevragen 11

  1. Wat betekent slapen?

  • A. rusten in bed

  • B. lopen naar school

  • C. praten met iemand


  1. Wat is de soort?

  • A. een type of categorie

  • B. een trap in huis

  • C. een kleur

Antwoorden: 1A, 2A

Meerkeuzevragen 12

  1. Wat betekent spullen?

  • A. persoonlijke dingen

  • B. een stad

  • C. een vorm


  1. Wat is de stad?

  • A. een grote plaats waar veel mensen wonen

  • B. een kleine tas

  • C. een slaapkamer

Antwoorden: 1A, 2A

Welk woord onthoud jij het best?

Laat leerlingen kort terugblikken op hun leerproces en welke woorden zijn blijven hangen.

Wat hielp jou het meest bij het leren?

Stimuleer metacognitie: denk aan foto, voorbeeldzin, herhaling of meerkeuzevragen.

Woordenlijst

lopen - je verplaatst je te voet

roze - een kleur tussen rood en wit

met - samen met iemand of iets

de ruimte - een kamer of plaats met plek

naast - aan de zijkant van iets of iemand

slordig - niet netjes, rommelig

netjes - opgeruimd en verzorgd

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

de spreker - iemand die spreekt

niet - woord voor ontkenning

de trap - treden om naar boven of beneden te gaan

onder - lager dan of beneden iets

de verdieping - een etage in een gebouw

overal - op alle plaatsen

het verkeer - alles wat zich op de weg verplaatst

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

de plek - een plaats of locatie

verzamelen - bij elkaar komen of dingen bijeenbrengen

het vierkant - een vorm met vier gelijke zijden

schoonmaken - iets netjes en schoon maken

vrolijk - blij en opgewekt

de slaapkamer - de kamer waar je slaapt

slapen - rusten in bed

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

de soort - een type of categorie

spullen - dingen die je hebt of gebruikt

de stad - een grote plaats waar veel mensen wonen

Deze slide heeft geen instructies