06-01-2026 les V5 gram A/B/C herhalen

Bonjour à tous!
Vous avez passé de bonnes vacances? :)
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 23 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Bonjour à tous!
Vous avez passé de bonnes vacances? :)

Slide 1 - Tekstslide

Vendredi 16 janvier
Test chapitre 2

- Vocabulaire A + B (à la page 82-83) (alle woorden leren)
- Vocabulaire C (à la page 84) (alléén de woorden NL-F leren)
- Phrases-clés A (à la page 82) (alléén de eerste zin)
- Phrases-clés B + C (à la page 83-84) (alle zinnen leren)
- Grammaire A gérondif (à la page 53)
- Grammaire B verbes irréguliers (à la page 64)
- Grammaire C les articles (à la page 75)
- Les verbes de base au présent (avoir, être, aller, faire)

Slide 2 - Tekstslide

Le gérondif
De gérondif is een combinatie van 'en' + een tegenwoordig deelwoord.

De gérondif betekent:
- terwijl -> il mange en lisant le journal.
(Hij eet terwijl hij de krant leest) = gelijktijdigheid

- door te -> En travaillant dur, tu réussiras.
(Door hard te werken, zul je slagen) = voorwaarde

-> En faisant du sport, je me sens bien.
(door te sporten, voel ik me goed) = manier 




het kan ook toen/als/wanneer betekenen

Slide 3 - Tekstslide

Le gérondif
Hoe maak je de gérondif?

Als eerst schrijf je 'en' op. Voor het werkwoord heb je de 'nous' vorm uit de tegenwoordige tijd, nodig. Daar haal je -ons van af, dan plak je 'ant' achter het werkwoord. 

Voorbeelden:
parler -> nous parlons -> ons weghalen = parl  > ant toevoegen = parlant -> en parlant
finir -> nous finissons -> ons weghalen = finiss -> ant toevoegen = finissant -> en finissant

Stel je moet zelf een gérondif maken van het werkwoord 'écouter', wat schrijf je dan op? _________________________

Slide 4 - Tekstslide

Hoe komt het in de toets?
Traduis le gérondif (et la partie en gras).
- Il parle en marchant dans le parc. _________________________


Fais un gérondif des verbes entre parenthèses.
- Tu donnes un présentation (faire) ___________________ un powerpoint.


Slide 5 - Tekstslide

Gram B
4 onregelmatige werkwoorden

Slide 6 - Tekstslide

Présent

Slide 7 - Tekstslide

Passé composé


Pc bestaat altijd uit 2 delen:
hulpwerkwoord + voltooid deelwoord

Bij deze werkwoorden gebruik je 'avoir' als hulpwerkwoord
het voltooid deelwoord moet je uit je hoofd leren, is bij alles (je/tu/il etc.) hetzelfde.

Slide 8 - Tekstslide

Imparfait




Nous vorm vd présent - ons (= de stam)
+ uitgangen ais, ais, ait, ions, iez, aient


imparfait = verleden tijd
Bij deze ww's is de vertaling: 
ik moest, ik bereikte, ik nam 
en ik volgde

Slide 9 - Tekstslide

Futur simple



de normale regel voor de futur simple = 
hele ww + avoir uitgangen
ai, as, a, ons, ez, ont

Maar bij deze ww's is de stam anders (want onregelmatige ww's)
futur simple = ww met 'zal'
Bij deze ww's is de vertaling: 
     ik zal moeten, ik zal bereiken,        ik zal nemen en ik zal volgen 

Slide 10 - Tekstslide

Conditionnel



de normale regel voor de futur simple = 
hele ww + uitgangen imparfait
ais, ais, ait, ions, iez, aient

Stam is hetzelfde als bij futur simple
conditionnel = ww met 'zou'
Bij deze ww's is de vertaling: 
  ik zou moeten, ik zou bereiken,    ik zou nemen en ik zou volgen 

Slide 11 - Tekstslide

Hoe komt het in de toets?
6 opdrachten in totaal

- 1 opdracht per tijd (dus 5 opdrachten)

- 1 opdracht vanuit het Nederlands vertalen
(zie werkblad)

Slide 12 - Tekstslide

Grammaire C 

bepaalde en onbepaalde lidwoorden

du/de la etc.

Slide 13 - Tekstslide

Lidwoorden
- Bepaalde lidwoorden -> le, la, l', les
- Onbepaalde lidwoorden -> un, une, des
(normale lidwoorden, je weet wanneer je deze moet gebruiken)


- Delende lidwoorden -> du, de la, de l', des, de, d'

Slide 14 - Tekstslide

Het delend lidwoord - wanneer?
Het delend lidwoord bestaat niet in het Nederlands!
Het delend lidwoord gebruik je in het Frans als er in het Nederlands geen lidwoord staat voor het zelfstandig naamwoord.

Ik speel voetbal - geen lidwoord voor "voetbal" in de Nederlandse zin. In een Franse zin gebruik je dan een delend lidwoord -> je fais du foot .

Voorbeeld: Ik eet pizza-> Je mange de la pizza

Slide 15 - Tekstslide

Vormen van het delend lidwoord
du= voor mannelijke woorden
de la= voor vrouwelijke woorden 
de l'= bij klinker of h
des= meervoud

Slide 16 - Tekstslide

ATTENTION!

Een delend lidwoord verandert in

de / d' in  2 gevallen, namelijk

1. Na een ontkenning

Je mange du chocolat -> Je ne mange pas de chocolat

(behalve bij être) vb: il n'est pas un prof


2. Na een woord dat de hoeveelheid aangeeft

Slide 17 - Tekstslide

Voorbeelden hoeveelheidswoorden
  • un peu                         
  • beaucoup
  • une bouteille
  • une boîte
  • une tasse
  • un verre
  • un litre
  • un kilo
  • assez
  • plus
  • moins
  • trop
  • groupe

Slide 18 - Tekstslide

Exemples
Elle mange de la viande.         ->           Elle ne mange pas de viande.
Il est un garçon sympa.           ->          Il n'est pas un garçon sympa.

Je voudrais des tomates.        ->        Je voudrais deux kilos de  tomates.
Sophie achète du fromage.   ->       Sophie achète beaucoup de fromage.               
Ook woorden als: beaucoup (veel) en peu (weinig) zijn "hoeveelheidswoorden'' !!


Slide 19 - Tekstslide

Let op, na deze werkwoorden:
aimer, détester, adorer, préférer, supporter en haïr

Na deze werkwoorden gebruik je het gewone lidwoord;
Ik hou van chocola= j'aime LE chocolat
Zij haat spruitjes= elle déteste LES choux de Bruxelles
'un' en 'une' zijn ook gewone lidwoorden

Ookal is de zin ontkennend, deze regel gaat voor!
Het is dus niet -> je n'aime pas de chocolat MAAR je n'aime pas le chocolat



Slide 20 - Tekstslide

Hoe krijg je het in de toets?
Remplis le bon article. Choisis entre: 
le, la, l', les, un, une, du, de la, de l', des, de of d'

1. Je mange souvent _______ fruits.
2. Ce n'est pas _______ bonne salade.
3. J'aime _______ viande.
4. Je ne mange pas _________ poisson.
5. Il boit un peu ________ jus d'orange.
6. Mon père ne mange jamais_______ fruits. C'est trop sucré pour lui!
7. Je veux vraiment obtenir ________ médaille. (v)

Slide 21 - Tekstslide

Réponses
Remplis le bon article. Choisis entre: 
le, la, l', les, un, une, du, de la, de l', des, de of d'

1. Je mange souvent ___des____ fruits. (want des heeft geen betekenis en anders klopt de zin niet)
2. Ce n'est pas __une_____ bonne salade. (want ww être staat erin, zie dia 'attention' voor uitleg)
3. J'aime __la_____ viande. (want ww aimer staat erin, zie dia 'let op na deze werkwoorden' voor uitleg)
4. Je ne mange pas ___de______ poisson. (want ontkenning ne pas)
5. Il boit un peu __de______ jus d'orange. (want hoeveelheidswoord 'un peu')
6. Mon père ne mange jamais___de____ fruits. C'est trop sucré pour lui! (want ontkenning ne jamais, ontk. gaat ook voor meervoud dus vandaar dat het niet des is)
7. Je veux vraiment obtenir ___la/une_____ médaille (v). (2 mogelijkheden la of une want anders klopt de zin niet)

Slide 22 - Tekstslide

Au travail!
Maak het werkblad

Fini? -> corrige, le corrigé se trouve sur SOM

Aussi fini? -> apprends pour le test

Slide 23 - Tekstslide