EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Examentraining
Eiwitsynthese en genexpressie: zo pak je examenvragen aan
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Examentraining
Eiwitsynthese en genexpressie: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Louisa Howard / Wikimedia Commons, publiek domein
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Wat ga je kunnen?
Ik kan met de codontabel de aminozuurvolgorde afleiden en gegevens over genexpressie, splicing en knock-outs interpreteren.
Deze slide heeft geen instructies
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: matrijsstreng, coderende streng, mRNA of een tabel?
2. Richting: let op 3' en 5'. De matrijsstreng lees je van 3' naar 5', het mRNA van 5' naar 3'.
3. Reken door: matrijsstreng, dan mRNA, dan codons, dan aminozuren met de codontabel.
4. Controleer: past je antwoord bij de gegevens en gebruik je de juiste begrippen?
Deze slide heeft geen instructies
De standaard codontabel
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Vraagtype 1: van DNA naar aminozuren
Schrijf eerst het mRNA op: complementair aan de matrijsstreng.
Deel het mRNA op in codons, vanaf het startcodon.
Zoek elk codon op in de codontabel.
Een stopcodon beëindigt het eiwit en codeert niet voor een aminozuur.
Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welke aminozuurvolgorde ontstaat uit deze matrijsstreng?
Met-Gly-Lys-Pro
Tyr-Pro-Phe-Gly-Thr
Trp-Ala-Asn-Leu
Ser-Ser-Lys-Arg-Val
mRNA 5'-AUGGGCAAACCUUGA-3': AUG Met, GGC Gly, AAA Lys, CCU Pro, UGA stopcodon. Tyr-Pro-Phe-Gly-Thr ontstaat als je de matrijsstreng zelf als mRNA leest. Trp-Ala-Asn-Leu ontstaat bij een verschoven leesraam, Ser-Ser-Lys-Arg-Val bij het mRNA van achter naar voren lezen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Het coderende mRNA is 300 nucleotiden lang, stopcodon inbegrepen. Hoeveel aminozuren?
100
297
300
99
300 nucleotiden zijn 100 codons. Het laatste codon is het stopcodon en codeert niet voor een aminozuur, dus 99 aminozuren. Verwachte fout: 100 (stopcodon meetellen) of 300 (niet delen door 3).
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Vraagtype 2: gegevens uit een tabel halen
Lees de kop van de tabel: wat is gemeten, in welke cellen?
Een hoeveelheid mRNA laat zien welk gen tot expressie komt.
Trek alleen conclusies die in de tabel staan.
Geen mRNA betekent niet dat het gen in het DNA ontbreekt.
Deze slide heeft geen instructies
Welke conclusie over gen A is juist?
Levercellen missen gen A
Gen A is alleen in spier actief
Spier heeft een ander genotype
Gen D werkt alleen in spier
In de tabel is alleen in spiercellen mRNA van gen A gemeten. Dat zegt niets over aanwezigheid in het DNA. Gen D komt in alle drie de celtypen tot expressie, dus de optie dat gen D alleen in spier werkt klopt niet. Verwachte fout: concluderen dat een gen ontbreekt als er geen mRNA is. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Na zonlicht maken huidcellen meer van een pigmentvormend enzym. Wat is de verklaring?
Het gen voor dat enzym komt sterker tot expressie
Er zijn extra genen voor het enzym bijgekomen
De huidcellen hebben een ander genotype gekregen
Het enzym wordt rechtstreeks uit het DNA gemaakt
De omstandigheden (zonlicht) bepalen hoeveel een gen tot expressie komt. Het DNA zelf verandert niet. Verwachte fout: denken dat er genen bijkomen of dat een eiwit zonder mRNA ontstaat.
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Vraagtype 3: redeneren met een knock-out-gen
Welk gen is uitgeschakeld en welk eiwit ontbreekt daardoor?
Vergelijk het fenotype van de knock-out met een gewoon organisme.
Het verschil in fenotype laat zien wat het eiwit normaal doet.
Beredeneer de keten: geen gen, geen mRNA, geen eiwit, ander fenotype.
Deze slide heeft geen instructies
Muizen met een uitgeschakeld gen T hebben een witte vacht. Wat volgt hieruit?
Gen T codeert voor een eiwit dat de vacht wit maakt
Alle genen van deze muizen zijn uitgeschakeld
Het eiwit van gen T is nodig voor een gekleurde vacht
Gen T komt alleen in witte muizen tot expressie
Zonder het eiwit van gen T ontbreekt de kleur, dus het eiwit is nodig voor een gekleurde vacht. Verwachte fout: de redenering omdraaien en denken dat het gen de witte kleur veroorzaakt.
Vul in
Bij een knock-out-gen ontstaat geen mRNA, dus er is geen translatie en het fenotype kan veranderen.
Een knock-out-gen levert geen mRNA, dus er volgt geen translatie en het fenotype kan veranderen. Verwachte fout: transcriptie en translatie verwisselen.
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Vraagtype 4: introns, exons en cDNA
Een gen bestaat uit exons en introns, het mRNA na splicing alleen uit exons.
Tel bij een berekening alleen de exons mee voor de lengte van het mRNA.
cDNA is gemaakt met mRNA als mal en bevat dus geen introns.
Bacteriën kunnen geen introns uit RNA verwijderen.
Deze slide heeft geen instructies
Het mRNA na splicing bestaat alleen uit exons. Hoeveel nucleotiden is dat?
540
600
2100
2700
Exons: 120 + 240 + 180 + 60 = 600. 2100 is de som van de introns (700 + 500 + 900), 2700 is het hele gen, 540 ontstaat als je het laatste exon vergeet. Verwachte fout: het hele gen of alleen de introns optellen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Waarom bevat cDNA geen introns?
Een goed antwoord: cDNA is gemaakt met mRNA als mal en uit het mRNA zijn de introns bij splicing al verwijderd. Verwachte fout: zeggen dat cDNA zelf introns verwijdert.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Van DNA naar aminozuren
Gegevens uit een tabel halen
Redeneren met een knock-out-gen
Introns, exons en cDNA
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen na met een voorbeeld.
EIWITSYNTHESE · GENEXPRESSIE
Tips voor op het examen
Schrijf bij een DNA-opgave eerst op welke streng gegeven is en in welke richting je leest.
Het mRNA is complementair aan de matrijsstreng en gelijk aan de coderende streng, met U in plaats van T.
Een stopcodon codeert niet voor een aminozuur: tel het niet mee bij de lengte van het eiwit.
Trek bij tabellen alleen conclusies die in de gegevens staan: geen mRNA is niet hetzelfde als geen gen.
Deze slide heeft geen instructies