Toets 6 Onderwijskunde 2A

Wat verstaan we onder commentaar geven?
A
Het bespreken van een lesfase zoals de DMMM-fase.
B
Een korte opmerking maken over een rijtaak met een eenduidige oplossing.
C
Het evalueren en bespreken van het leerresultaat.
1 / 35
volgende
Slide 1: Quizvraag
VerkeersopleidingenBeroepsopleiding

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Wat verstaan we onder commentaar geven?
A
Het bespreken van een lesfase zoals de DMMM-fase.
B
Een korte opmerking maken over een rijtaak met een eenduidige oplossing.
C
Het evalueren en bespreken van het leerresultaat.

Slide 1 - Quizvraag

Waar wordt een summatief oordeel gegeven?
A
Bij het CBR rijexamen.
B
Bij een tussentijdse toets.
C
Beide antwoorden zijn juist.

Slide 2 - Quizvraag

Om de leerling wat extra te motiveren:
A
Biedt de rijinstructeur de leerling de kans om te kiezen uit te oefenen rijtaken en/of routes.
B
Zal de rijinstructeur altijd positief commentaar geven.
C
Zorgt de rijinstructeur ervoor dat de leerling zoveel mogelijk op voor hem bekende plaatsen kan oefenen.

Slide 3 - Quizvraag

Wat is een belangrijke reden voor een correcte lesafronding?
A
De leerling moet weten wat hij al kan en nog niet zo goed kan.
B
Het geleerde wordt dan verankerd.
C
De oriëntatie van de leerling betreffende de duur van de opleiding wordt helder.

Slide 4 - Quizvraag

Wat hoort er bij de zogenaamde sensatiezoekers (thrill seekers)?
A
Zij worden ‘kort’ gehouden en uitdagingen worden zoveel mogelijk vermeden.
B
Zij zijn gebaat bij uitdagingen wat betreft snelheid en bochten.
C
Zij worden in complexe situaties gebracht, zodat ze ervaren nog veel te moeten leren.

Slide 5 - Quizvraag

Wat is de aanpak bij het ontwikkelen van de zelfstandigheid van een beginnende of traag vorderende leerling?
A
Zij krijgen een deel van de leerfuncties in eigen handen.
B
Zij krijgen extra steun in de rug, maar mogen het initiatief behouden.
C
Zij moeten zelfstandig hun rijgedrag reflecteren.

Slide 6 - Quizvraag

Wat wordt er bedoeld met de kreten:
valide, betrouwbaar en objectief?
A
Dit zijn de eisen waaraan het CBR-examen moet voldoen.
B
Dit zijn de eisen waaraan een toets tijdens de rijopleiding moet voldoen.
C
Beide antwoorden zijn juist.

Slide 7 - Quizvraag

Wanneer is er sprake van de
‘hardop denkmethode’?
A
Als de rijinstructeur opdracht geeft tot hardop denken.
B
Als de leerling op eigen initiatief hardop gaat denken.
C
Beide antwoorden zijn juist.

Slide 8 - Quizvraag

Wanneer wordt een les afgezegd of
de lesroute aangepast?
A
Bij sneeuw.
B
Bij omstandigheden die kunnen leiden tot gevaar tijdens de les.
C
Bij het naderen van risicovolle gebieden.

Slide 9 - Quizvraag

Wanneer worden er tijdens een toets
hints gegeven?
A
Als anders de verkeersopgave niet zou kunnen worden uitgevoerd.
B
Ter afwending van dreigend gevaar.
C
Het geven van hints is dan niet toegestaan.

Slide 10 - Quizvraag

Wat wordt verstaan onder ‘timemanagement’?
A
De beschikbare tijd al indelen in de ontwerpfase van een les.
B
De beschikbare tijd tijdens de les indelen.
C
Het inbouwen van buffertijd.

Slide 11 - Quizvraag

De leerling geeft aan dat hij het rijden in een parkeergarage wil oefenen.
Wat is dan de beste reactie?
A
Dit staat niet in de leergang dus jammer, maar dat moet je later zelf maar oefenen.
B
Dit wordt op het rijexamen niet getoetst dus jammer, maar dat moet je later zelf maar oefenen.
C
Oké, welke parkeergarage heb je in gedachten?

Slide 12 - Quizvraag

Wat is juist?
A
Een belangrijke stap geeft aan WAT er moet gebeuren.
B
Een belangrijke stap geeft aan HOE iets moet gebeuren.
C
Een belangrijke stap geeft aan WAAROM iets moet gebeuren.

Slide 13 - Quizvraag

Als er stress ontstaat, wat kan de instructeur dan doen om te bereiken dat de leerling de aandacht voor de aan te leren rijtaak herwint, en er weer ruimte is voor verder leren?
A
Tijdig aanpakgedrag suggereren en helpen emoties te bedwingen.
B
Hints geven en fouten relativeren.
C
Meteen overgaan naar de DMMM-fase.

Slide 14 - Quizvraag

Waarbij wordt het element instructie over het algemeen gebruikt?
A
Bij het aanleren van een specifieke rijtaak.
B
Bij het aanleren van de globale rijtaak.
C
Bij de gevorderde leerling.

Slide 15 - Quizvraag

Wat is er bepaald voor wat betreft het oefenen van kleine taken en het rijden van lange stukken in de
lesopbouw?
A
Beginners zijn 90% van de lestijd bezig met het oefenen in kleine taken.
B
Beginners zijn 80% van de lestijd bezig met het oefenen in kleine taken.
C
Beginners zijn 70% van de lestijd bezig met het oefenen in kleine taken.

Slide 16 - Quizvraag

Commentaar dient zo snel mogelijk na de taakuitvoering te liggen.
Wanneer is dit niet het geval?
A
Indien de leerling getraind wordt in het zelfstandig rijden.
B
Indien een proefexamen wordt gereden.
C
Beide antwoorden zijn juist.

Slide 17 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van commentaar geven?
A
Bespreken van het leerproces.
B
Commentaar over het al dan niet correct verlenen van voorrang.
C
Commentaar in de mentorfase.

Slide 18 - Quizvraag

Waar moet een rijinstructeur rekening mee houden tijdens het afnemen van een praktijktoets?
A
Dat zoveel mogelijk examenonderdelen worden getoetst.
B
Dat alle onderwerpen van beoordeling worden getoetst.
C
Beide antwoorden zijn juist.

Slide 19 - Quizvraag

Wanneer is er sprake van afstemming die
stuurt naar een hoger niveau?
A
De beginnende leerling die gelegenheid krijgt om zelf zijn fouten op te merken en feedback te geven.
B
De leerling die gelegenheid krijgt om zelf zijn fouten op te merken en feedback te geven.
C
De gevorderde leerling die gelegenheid krijgt om zelf zijn fouten op te merken en feedback te geven.

Slide 20 - Quizvraag

Wat is de regel bij het geven van
complimenten aan de leerling?
A
Complimenten worden bij voorkeur ingebouwd in het commentaar wat gegeven wordt.
B
Complimenten worden zoveel mogelijk gegeven.
C
Complimenten worden aan leerlingen met een laag zelfbeeld onophoudelijk gegeven.

Slide 21 - Quizvraag

Waarop noteert de rijinstructeur de aantekeningen van gebeurtenissen die zich tijdens de rijlessen voordoen?
A
Op de leskaart.
B
Op een apart daarvoor bestemd document.
C
Op de instructievorderingenkaart.

Slide 22 - Quizvraag

Waarom gebruikt de rijinstructeur tijdens de les didactische hulpmiddelen?
A
Om de eigen taak te verlichten.
B
Om het onderwijs duidelijker en begrijpelijker te maken.
C
Beide antwoorden zijn juist.

Slide 23 - Quizvraag

Wanneer kan een rijinstructeur het
beste feedback geven?
A
Aan het einde van de les.
B
Direct na het uitvoeren.
C
Tijdens de uitvoering.

Slide 24 - Quizvraag

Waar kunt u een beginnend leerling het ‘inhalen’ het beste aanleren?
A
Dit is te hoog gegrepen voor deze leerling.
B
Op 60 of 80 km/h wegen.
C
Op autosnelwegen.

Slide 25 - Quizvraag

Een rijinstructeur moet morgenavond een theorieles geven. Hij huurt het lokaal voor het eerst en is nu op
de locatie om te kijken hoe het is ingericht.
Wat moet hij allemaal checken voordat hij de les kan geven?
A
Hij moet kijken of er zaken zijn zoals een beamer, whiteboard maar ook zorgen dat de stoelen en tafels goed staan en er hand-outs zijn.
B
Dat het lokaal goed is ingericht en genoeg tafels en stoelen heeft voor de groep cursisten.
C
Dat de hand-outs klaar liggen om uit te delen.
D
Of het goed verlicht is.

Slide 26 - Quizvraag

Als de vragen in de toets goed overeenstemmen met de leerdoelen, dan is deze toets?
A
Valide.
B
Betrouwbaar.
C
Objectief.

Slide 27 - Quizvraag

Waar staat de methode WAKKER voor?
A
Waarnemen, aantekeningen maken, klassificeren, kwalificeren, evalueren, rapporteren.
B
Wachten, aandacht, kijken, kritiek en rijden
C
Waarnemen, aandacht, kwaliteit, kritiek, evalueren, rapporteren.

Slide 28 - Quizvraag

Als een rijinstructeur een praktijktoets wil afnemen bij zijn leerling moet hij rekening houden met?
1. De taaksituatie van de toets moet passen bij niveau van de leerling.
2. Leerling moet een goed humeur hebben.
3. Een goede route kiezen voor het toetsen.
4. Genoeg situaties kiezen voor de toets.
5. Je moet een dubbele les plannen voor de toets.
A
1, 2, 3, 4, 5
B
1, 3, 4, 5
C
1, 3, 4

Slide 29 - Quizvraag

Een leerling krijgt een mondelinge ingreep omdat hij te lang stilstond bij een voorrangskruispunt.
Is deze leerling nu gezakt?
A
Ja, hij is gezakt op aangepast/besluitvaardig rijden.
B
Nee, want het is een mondelinge ingreep.
C
Ja, bij iedere mondelinge ingreep ben je gezakt.

Slide 30 - Quizvraag

Wat betekent evalueren in de ruimste zin
van het woord?
A
Fouten uit het onderwijsleerproces halen.
B
Fouten uit de leerling halen.
C
Komen tot beter lesgeven.

Slide 31 - Quizvraag

Wat houdt een foutenanalyse in?
A
Nauwkeurig bestuderen van de gemaakte fouten en hun oorzaken.
B
Nauwkeurig bekijken van toetsen en examens.
C
Nauwkeurig opsporen van hiaten in de cursus.

Slide 32 - Quizvraag

Als een leerling door overvloed aan leerstof niets meer opneemt spreekt men van?
A
Non-verbaal gedrag.
B
Desintegratie.
C
Extrinsiek gedrag.

Slide 33 - Quizvraag

Aan het einde van de les controleert de instructeur of de leerdoelen zijn gehaald die hij aan het begin van de
les in zijn doelstelling bekend heeft gemaakt.
Dit is een?
A
Procesevaluatie.
B
Productevaluatie.
C
Feedback.

Slide 34 - Quizvraag

Welke van de hieronder genoemde voorbeelden vallen onder vaste leerling kenmerken?
A
Doorzettingsvermogen en ijver.
B
Leertempo en emoties.
C
Nationaliteit en vooropleiding.

Slide 35 - Quizvraag