De bestuurder van een personenauto staat met een lekke band op de vluchtstrook van de autosnelweg. Om hulp te halen bij een tankstation steekt hij de rijbaan over. Hij hindert de overige bestuurders niet. Is dit toegestaan?
A
Ja,zolang hij rekening houdt met de algemene bepaling uit de Wegenverkeerswet.
B
Ja, omdat het hier een noodgeval betreft.
C
Nee, omdat hij dan van de rijbaan gebruik maakt.
1 / 60
volgende
Slide 1: Quizvraag
RijopleidingBeroepsopleiding
In deze les zitten 60 slides, met interactieve quizzen.
Lesduur is: 60 min
Onderdelen in deze les
De bestuurder van een personenauto staat met een lekke band op de vluchtstrook van de autosnelweg. Om hulp te halen bij een tankstation steekt hij de rijbaan over. Hij hindert de overige bestuurders niet. Is dit toegestaan?
A
Ja,zolang hij rekening houdt met de algemene bepaling uit de Wegenverkeerswet.
B
Ja, omdat het hier een noodgeval betreft.
C
Nee, omdat hij dan van de rijbaan gebruik maakt.
Slide 1 - Quizvraag
Je ziet een rijbaan van een autoweg binnen de bebouwde kom. Mag de bestuurder van een brommobiel gebruik maken van de rijbaan?
A
Nee, deze bestuurder mag geen 50 km per uur rijden.
B
Nee, deze bestuurder mag geen 60 km per uur rijden.
C
Ja, binnen de bebouwde kom is het toegestaan.
Slide 2 - Quizvraag
Spitsstrook. Wie mag gebruik maken van deze strook?
A
Bestuurders van motorvoertuigen.
B
Bestuurders van vrachtauto's en autobussen.
C
Bestuurders van een vrachtauto.
Slide 3 - Quizvraag
Hoe wordt dit witte vlak genoemd?
A
Verdrijvingsvlak.
B
Puntstuk.
C
Redresseerstrook.
Slide 4 - Quizvraag
Je ziet een rijbaan van een autosnelweg met 3 rijstroken. Op de rechterrijstrook rijdt een vrachtwagencombinatie. Je ziet aan de rechterzijde het bord F3 (Verbod voor vrachtauto om motorvoertuigen in te halen}. Je rijdt met een leerling achter de vrachtauto. Je leerling wil de vrachtauto niet inhalen . Wat kan de oorzaak zijn?
A
De leerling heeft waarschijnlijk obstakelvrees.
B
De leerling denkt dat er sprake is van een inhaalverbod.
C
De leerling denkt dat hij slechts gebruik mag maken van de rechterrijstrook.
Slide 5 - Quizvraag
Je rijdt op de middelste rijstrook met een personenauto met een aanhangwagen. Totale lengte is 7.50 m. Je rijdt achter een vrachtauto en je wilt deze inhalen waarbij je gebruik moet maken van de meest links gelegen rijstrook . De rijbaan is verdeeld is 3 rijstroken.
A
Inhalen is toegestaan.
B
Nee , u mag geen gebruik maken de linkerrijstrook.
C
Nee, hier is sprake van een inhaalverbod.
Slide 6 - Quizvraag
Welke bestuurder moet de 2 zoveel mogelijk rechts gelegen rijstroken gebruiken ingeval van een autosnelweg?
A
Personenauto.
B
Vrachtauto met een lengte van 6,90m.
C
Auto met aanhangwagen met een lengte van 6,90m.
Slide 7 - Quizvraag
Wie mag geen gebruik maken van de linkerrijstrook?
A
Autobus .
B
Vrachtauto met een lengte van 6,90m.
C
Motorfiets met aanhangwagen met een totale lengte van 4m.
Slide 8 - Quizvraag
Je staat op de vluchtstrook stil vanwege brandstoftekort en loopt verder over de vluchtstrook naar een tankstation. Wat is in het RVV geregeld over het gebruik van de vluchtstrook?
A
Het gebruik daarvan is in noodsituaties toegestaan.
B
Het verbod geldt uitsluitend voor bestuurders van motorvoertuigen.
C
Voetgangers mogen geen gebruik maken van de autosnelweg.
Slide 9 - Quizvraag
Mag de blauwe auto nu nog uitvoegen?
A
Ja, hij mag de blokmarkering overschrijden.
B
Nee, hij mag het puntstuk niet gebruiken.
C
Nee,hij mag de doorgetrokken streep niet overschrijden.
Slide 10 - Quizvraag
Je verlaat een autosnelweg en na het bord einde autosnelweg nader je een kruispunt. Wat voor soort verkeer kan je hier verwachten?
A
Alle weggebruikers.
B
Alleen bestuurders.
C
Bestuurders van motorvoertuigen.
Slide 11 - Quizvraag
U rijdt op de linkerrijstrook en krijgt een lekke band, mag u de afgekruiste rijstrook gebruiken om de vluchthaven te bereiken?
A
Ja het is een noodgeval.
B
Nee je moet de linker rijstrook gebruiken.
C
Nee, je moet op de linker rijstrook stoppen.
Slide 12 - Quizvraag
Je ziet dat een pijlwagen op de rijbaan staat. Je ziet dat deze mobiele wagen aangeeft dat de rechterrijstrook is afgesloten. Wat moet je doen in deze situatie?
A
De rijstrook blijven volgen.
B
Als het veilig is meteen wisselen van rijstrook.
C
Vlak voor de pijlwagen wisselen van rijstrook.
Slide 13 - Quizvraag
Wat is de maximale snelheid van een bestuurder binnen een erf?
A
10 km. per uur.
B
Stapvoets.
C
15 km. per uur.
Slide 14 - Quizvraag
Wie mogen binnen een erf de volle breedte van de weg gebruiken?
A
Bestuurders.
B
Alle weggebruikers.
C
Voetgangers.
Slide 15 - Quizvraag
Je ziet dat het kind op de bagagedrager van de fiets zit. Hoe moet dit kindje achterop zitten?
A
Het kind moet gebruik maken van een kinderzitje.
B
Het kind mag op de bagagedrager worden vervoerd.
C
Het kind moet voldoende steun voor handen, voeten en rug hebben.
Slide 16 - Quizvraag
Waar moet je de gevarendriehoek plaatsen?
A
Binnen de bebouwde kom.
B
Buiten de bebouwde kom.
C
Zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
Slide 17 - Quizvraag
Wat is bepaald ten aanzien van plaatsen van een gevarendriehoek?
A
Je moet hem altijd op 30 meter afstand plaatsen.
B
Je hoeft geen gevarendriehoek te plaatsen als je waarschuwingslichten voert.
C
Je moet zowel je waarschuwingslichten voeren als de gevarendriehoek plaatsen.
Slide 18 - Quizvraag
Je rijdt binnen de bebouwde kom. Welke van deze voertuigen moet je in de gelegenheid stellen om weg te rijden, indien de bestuurder richting heeft gegeven?
A
Een bestelbus ingericht voor 8 personen .
B
Een taxibus ingericht voor 8 personen.
C
Een buitenlandse touringcar.
Slide 19 - Quizvraag
Je ziet een rijbaan met aan de rechterzijde een bus- strook met een onderbroken streep. Wat mag de bus hier doen?
A
Autobussen en lijnbussen moeten gebruik maken van de busstrook.
B
Autobussen en lijnbussen mogen gebruik maken van de busstrook , en ook van de gewone rijbaan.
C
Alleen lijnbussen moeten gebruik maken van de busstrook.
Slide 20 - Quizvraag
Je ziet een autobus bij een bushalte staan . Deze autobus heeft de richtingaanwijzer naar links aan staan. Welke verplichting heb je als autobestuurder?
A
Lijnbussen in de gelegenheid stellen om weg te rijden.
B
Autobussen in de gelegenheid stellen om weg te rijden.
C
Autobussen en lijnbussen in de gelegenheid stellen om weg te rijden.
Slide 21 - Quizvraag
Bij een bushalte binnen de bebouwde kom rijdt een motorvoertuig weg. Welk motorvoertuig dat richting heeft aangegeven moet u in de gelegenheid stellen om weg te rijden?
A
Taxibus ingericht voor maximaal 8 personen.
B
Een autobus ingericht voor maximaal 8 personen.
C
Een buitenlandse T 100 bus of een trolleybus.
Slide 22 - Quizvraag
De bestuurder van een autobus wil bij een bushalte wegrijden en geeft richting aan. Welke bestuurder(s) hoeft (hoeven) de bus niet in de gelegenheid te stellen om weg te rijden?
A
Een fietser.
B
Een bestuurder van militaire colonne.
C
Een bestuurder van een andere lijnbus.
Slide 23 - Quizvraag
Welk van de onderstaande motorvoertuigen moet je in de gelegenheid stellen binnen de bebouwde kom bij een bushalte weg te rijden, wanneer de bestuurder richting heeft gegeven?
A
Lijnbus en autobus.
B
Lijnbus.
C
Motorvoertuig ingericht voor meer dan 8 personen, de bestuurder niet inbegrepen.
Slide 24 - Quizvraag
Buiten de bebouwde kom rijdt een touringcar weg vanaf een bushalte. De bestuurder geeft tijdig richting aan. Welke verplichting heb je voor wat betreft deze autobus?
A
Je bent verplicht om deze bus in de gelegenheid te stellen om weg te rijden.
B
Je bent verplicht om deze bus voor te laten gaan.
C
Je hebt geen verplichting om deze bus de gelegenheid te geven om weg te rijden.
Slide 25 - Quizvraag
Je ziet een bus die stilstaat bij een bushalte. Verderop zie je een rotonde en rechts een fietspad. Wie hoeft deze bus met knipperlichten naar links aan niet in de gelegenheid te stellen om weg te rijden?
A
Bestuurder van een motorvoertuig.
B
Bestuurder van een militaire colonne.
C
Fietser.
Slide 26 - Quizvraag
Op een vrij smalle rijbaan staat een vrachtauto te laden en te lossen. Je ziet achter deze vrachtauto een fietser die de vrachtauto voorbij wil rijden. Moet de fietser richting aangeven als hij om deze vrachtauto heen moet sturen?
A
Nee,dat is niet verplicht daar een fietser geen richting aanwijzer heeft.
B
Nee, de fietser is niet verplicht om richting aan te geven.
C
De fietser is verplicht om richting aan te geven.
Slide 27 - Quizvraag
Welke verlichting moet je hier voeren?
A
Dagrijlichten.
B
Dimlicht en achterlichten.
C
Stadslicht en dagrijlichten.
Slide 28 - Quizvraag
Wie moeten bij slecht zicht of bij nacht dimlicht en achterlicht voeren?
A
Snorfiets + bromfiets.
B
Wagens + gehandicapten voertuig.
C
Bakfiets + brommobiel.
Slide 29 - Quizvraag
Welke verlichting moet je bij nacht voeren als je buiten de bebouwde kom in de berm staat geparkeerd?
A
Stadslicht.
B
Dimlicht.
C
Geen verlichting.
Slide 30 - Quizvraag
Bij welke vluchthaven moet je bij nacht tijdens het stilstaan stadslicht en achterlicht voeren?
- bij een vluchthaven die is aangelegd langs de rijbaan van een 80-weg buiten de bebouwde kom. - bij een vluchthaven die is aangelegd langs de autosnelweg.
A
Langs de 80 km/u weg.
B
Langs de autosnelweg.
C
In beide parkeerhavens.
Slide 31 - Quizvraag
Welke verlichting moet je voeren?
A
Grootlicht.
B
Dimlicht.
C
Stadslicht.
Slide 32 - Quizvraag
Welke verlichting mag u nu volgens het RVV 1990 aan de voorzijde van uw auto voeren?
A
Dimlicht en dagrijlicht.
B
Dimlicht, grootlicht en mistlicht.
C
Dimlicht en mistlicht.
Slide 33 - Quizvraag
Welke verlichting mag in combinatie met dag- rijlichten in het donker gevoerd worden?
A
Stadslicht.
B
Dimlicht.
C
Geen verlichting.
Slide 34 - Quizvraag
Welke verlichting moet je met een personenauto aan de voorzijde voeren bij slecht zicht ?
A
Dimlicht.
B
Dimlicht en stadlicht.
C
Mistlicht.
Slide 35 - Quizvraag
Waar moet een gehandicaptenvoertuig met motor en een gesloten carrosserie verlichting voeren?
A
Op de rijbaan bij zonnig weer.
B
Op een voetpad, trottoir.
C
Op een fiets- bromfietspad bij schemering.
Slide 36 - Quizvraag
Welke verlichting moet een gehandicaptenvoertuig zonder motor voeren in geval het zicht ernstig wordt belemmerd en hij gebruik maakt van de rijbaan?
A
Dimlicht.
B
Stadslicht.
C
Voor en achterlicht.
Slide 37 - Quizvraag
Je ziet op de rijbaan een persoon die aan het hardlopen is. Het is donker. Welke verlichting moet deze persoon voeren?
A
Geen verlichting.
B
Knipperende verlichting.
C
Voor wit en achter roodlicht.
Slide 38 - Quizvraag
Je bent de bestuurder van een motorvoertuig. In welk geval mag je mistachterlicht voeren?
A
Zicht minder dan 100 m.
B
Zicht minder dan 80 m.
C
Zicht minder dan 40 m.
Slide 39 - Quizvraag
Welke voertuigen mogen mistlichten voeren?
A
Motorvoertuigen en bromfietsen.
B
Motorvoertuigen en gehandicaptenvoertuigen.
C
Motorvoertuigen en snorfietsen.
Slide 40 - Quizvraag
U rijdt in een personenauto en het zicht is minder dan 40m. Welke verlichting moet u voeren?
A
Grootlicht.
B
Dimlicht.
C
Stadslicht.
Slide 41 - Quizvraag
Wanneer mag mistachterlicht worden gevoerd om beter op te vallen in het verkeer?
A
Mist en sneeuwval met een zicht van minder dan 100 meter.
B
Sneeuwval met een zicht van minder dan 50 meter.
C
Zware regenval met een zicht van minder dan 50 meter.
Slide 42 - Quizvraag
Welke verlichting moet een fiets voeren?
A
Dimlicht, kleur wit.
B
Voor wit of geel licht.
C
Voor, achter en knipperlicht.
Slide 43 - Quizvraag
Wie moeten dimlicht voeren?
A
Bromfiets en snorfiets.
B
Gehandicaptenvoertuig en wagens.
C
Brommobiel en fiets.
Slide 44 - Quizvraag
Een vrachtauto staat geparkeerd ter hoogte van een benzinestation langs de autosnelweg, en in een parkeerstrook. Welke verlichting moet hij voeren?
(deze strook maakt wel of geen deel uit van de autosnelweg)
A
Geen verlichting, omdat deze geen deel uitmaakt van de autosnelweg.
B
Stadslichten en achterlichten, omdat deze wel deel uitmaakt van de autosnelweg.
C
Dimlichten en achterlichten, omdat deze geen deel uitmaakt van de autosnelweg.
D
Stadslichten en achterlichten, omdat deze geen deel uitmaakt van de autosnelweg.
Slide 45 - Quizvraag
Het zicht is minder dan 40 meter door mist. Waar mag u mistlichten voeren?
A
Binnen de bebouwde kom.
B
Buiten de bebouwde kom.
C
Zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
Slide 46 - Quizvraag
U voert vanwege mist uw mistlicht aan de voorzijde. Met welke verlichting moet dit gecombineerd worden?
A
Mistlicht achter.
B
Dimlicht.
C
Dimlicht of stadslicht.
Slide 47 - Quizvraag
In welk geval mag een voorrangsvoertuig knipperende koplampen voeren?
A
Binnen de bebouwde kom.
B
Buiten de bebouwde kom.
C
Zowel binnen als buiten de bebouwde kom.
Slide 48 - Quizvraag
Je parkeert op een vluchthaven langs een autoweg. Moet je hier verlichting voeren?
A
Ja, dagrijlichten.
B
Nee, dit is niet verplicht.
C
Ja, stadslicht en achterlichten.
Slide 49 - Quizvraag
Het zicht wordt overdag door sneeuw ernstig belemmerd. Welke verlichting mag u dan volgens het RVV 1990 aan de voorkant van uw auto voeren?
A
Dimlicht en daglicht.
B
Dimlicht, grootlicht en mislicht.
C
Mistlichten.
Slide 50 - Quizvraag
Hoe hard mag de bromfietser hier (bubeko) rijden?
A
30km/u.
B
40 km/u.
C
45km/u.
Slide 51 - Quizvraag
Wat is de toelatingssnelheid van motorvoertuigen op een autosnelweg?
A
60 km/h.
B
70 km/h.
C
80 km/h.
Slide 52 - Quizvraag
Je rijdt een 30 km/u zone binnen, voor wie geldt het verkeersbord 30 km/u?
A
Snorfiets.
B
Gehandicaptenvoertuig
op het trottoir.
C
Bromfiets.
Slide 53 - Quizvraag
Wat is hier de maximumsnelheid voor een motorvoertuig?
A
50 km per uur.
B
60 km per uur.
C
80 km per uur.
Slide 54 - Quizvraag
Je ziet dit bord op een rijbaan buiten de bebouwde kom. Onder welke omstandigheden is dit bord van toepassing?
A
In geval van regen.
B
Ideale weersomstandigheden.
C
Slechte weersomstandigheden.
Slide 55 - Quizvraag
Hoeveel km/u mag een bromfiets op de rijbaan bubeko meer rijden dan op het fietspad/bromfietspad?
A
10 km.
B
5 km.
C
45 km.
Slide 56 - Quizvraag
Wat is de maximumsnelheid van een tractor buiten de bebouwde kom?
A
40 km per uur.
B
80 km per uur.
C
50 km per uur.
Slide 57 - Quizvraag
Je rijdt met een snelheid van 80 km per uur en er is sprake van dichte mist. Wat moet je volgafstand zijn?
A
40 m.
B
80 m.
C
100 m.
Slide 58 - Quizvraag
Wat is de maximumsnelheid voor deze bromfietser?
A
30 km per uur.
B
40 km per uur.
C
45 km per uur.
Slide 59 - Quizvraag
Wat is maximumsnelheid van een auto met aanhangwagen op een autoweg buiten de bebouwde kom?