2021 3VM H5.3 Actief op de arbeidsmarkt

H5.3 Actief op de arbeidsmarkt
Je leert:
  • Het begrip arbeidsmarkt uitleggen aan de hand van vragers naar en aanbieders van arbeid
  • Welke mensen er bij de beroepsbevolking horen
  • Het verschil tussen werken in de formele en de informele sector
Je oefent:
  • De Arbeidsparticipatie berekenen

1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

H5.3 Actief op de arbeidsmarkt
Je leert:
  • Het begrip arbeidsmarkt uitleggen aan de hand van vragers naar en aanbieders van arbeid
  • Welke mensen er bij de beroepsbevolking horen
  • Het verschil tussen werken in de formele en de informele sector
Je oefent:
  • De Arbeidsparticipatie berekenen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 4 - Tekstslide

In een land zijn veel verschillende plekken waar je kunt werken. Er zijn ook veel verschillende mensen, met ieder hun eigen talenten en interesses. De bedrijven en overheid vragen voortdurend om zich heen of er mensen bij hen willen werken. De verschillende mensen bieden aan om bij bedrijven of de overheid te werken.
Alle plekken waar je kunt werken en alle mensen die werk hebben of willen werken, noemen we de arbeidsmarkt. Op de arbeidsmarkt hebben we een vraagkant (de bedrijven vragen naar werknemers) en een aanbodkant (personen bieden hun werk en hun tijd aan).

Slide 5 - Tekstslide

Het aantal plekken waar gewerkt kan worden, ofwel het totale aantal banen, noemen we de werkgelegenheid.
Als er meer werkgelegenheid is dan er personen zijn die willen werken, kan iedereen die wil werken een baan vinden.
Als er minder werkgelegenheid is dan er personen zijn die willen werken, kan niet iedereen die wil werken een baan vinden, hierdoor is er werkloosheid

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 7 - Tekstslide

De personen die hun werk en tijd aanbieden aan de bedrijven (De aanbieders op de arbeidsmarkt), noemen we de beroepsbevolking. Wie daarbij horen, wordt zo bepaald:
We nemen eerst de beroepsgeschikte bevolking. Dit zijn alle personen die in theorie zouden kunnen werken, namelijk de 15- tot en met 65-jarigen.
Vervolgens kijken we in die groep naar de personen die niet willen werken, dit zijn bijvoorbeeld studenten of scholieren, huisvaders of huismoeders of mensen die er simpelweg geen zin in hebben.
Als we de groep die niet wil werken weglaten, houden we twee groepen mensen over: de groep mensen die werken en de groep mensen die niet werken maar wel op zoek zijn naar werk.
De laatste twee groepen noemen we samen de beroepsbevolking.

Slide 8 - Tekstslide

Omdat niet iedereen tussen de 15 en 65 jaar oud wil werken, doet niet iedereen mee aan het landelijke werk. Meedoen betekent “Participeren”.
We kunnen berekenen hoeveel mensen er participeren door de beroepsbevolking als percentage van de totale bevolking tussen 15 en 65 jaar oud te nemen.
Het percentage, hierboven 76,5%, noemen we de participatiegraad: welk deel van de totale beroepsgeschikte bevolking hoort bij de beroepsbevolking?

formule arbeidsparticipatie

Beroepsgeschikte bevolking (= werkenden + werklozen die willen werken)
-----------------------------------------------------------------------------                            x 100
Totale beroepsbevolking

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Arbeidsdeelname (arbeidsparticipatie)
Het percentage van de bevolking dat tot de beroepsbevolking behoort.

De overheid verwacht een tekort aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt en wil dat een groter deel van de bevolking gaat werken.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Arbeidsdeelname bevorderen
Overheid en bedrijven kunnen de arbeidsdeelname bijvoorbeeld bevorderen door:
  • scholing;
  • kinderopvang.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Werk is er in verschillende soorten en maten. Allereerst verdelen we werk in de formele en de informele sector.
De formele sector bestaat uit al het “gewone werk”, het is door het CBS geregistreerd, je krijgt er voor betaald en het is door de overheid toegestaan. Dit werk noemen we wit werk en is het werk waar we het in de vorige paragrafen steeds over gehad hebben.
De informele sector bestaat uit twee soorten ander werk en wordt door het CBS niet geregistreerd: de klusjes die je thuis doet of het meewerken bij een vrijwilligersorganisatie noemen we grijs werk: dit is onbetaald werk en wordt door de overheid toegestaan.
In de informele sector vinden we ook zwart werk, dit is betaald werk dat niet is toegestaan door de overheid, omdat je over deze inkomsten geen inkomstenbelasting betaalt en omdat je tijdens het doen van dit werk niet goed verzekerd bent.

Bij een overschot op de arbeidsmarkt is er meer ....
A
aanbod.
B
vraag.

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Waar komt het aanbod van arbeid vandaan?

A
arbeiders
B
arbeidsverdeling
C
beroepsbevolking
D
arbeidsmarkt

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een teveel aan arbeiders kan leiden tot ontslag.
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef een nadeel van zwart werken.

Slide 16 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Geef een voorbeeld van ongelijke behandeling

Slide 17 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Een voorbeeld van de informele sector is...
A
leraar
B
vuilnisman
C
thuis vrijwillig helpen met stofzuigen
D
een potje voetbal kijken

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een voorbeeld van de formele sector is...
A
boodschappen door voor je oma
B
Stofzuigen bij jouw ouders
C
jouw kamer opruimen
D
bakker

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Op de arbeidsmarkt komt (1) van arbeid van de beroepsbevolking en de (2) van de werkgevers.
A
(1) de vraag (2) de vraag
B
(1) de vraag (2) het aanbod
C
(1) het aanbod (2) de vraag
D
(1) Het aanbod (2) het aanbod

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Je hoort bij de beroepsbevolking als je tussen de 15 en de (1) leeftijd bent én je werkt of bent (2)
A
(1) 65 (2) op zoek naar werk
B
(1) pensioenleeftijd (2) op zoek naar werk

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk werk telt mee in de economische cijfers? Werk in de...
A
informele sector
B
formele sector
C
primaire sector
D
Quartaire sector

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies