Hoofdstuk 5 voor havo 4 herhaling

H5: Onderzoeksvaardigheden
-Methoden van onderzoek
-Conceptueel model (onafhankelijke en afhankelijke variabelen)
-Hypothese 
-Indicatoren opstellen
-Eisen van onderzoek
-Correlatie en causaliteit
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

H5: Onderzoeksvaardigheden
-Methoden van onderzoek
-Conceptueel model (onafhankelijke en afhankelijke variabelen)
-Hypothese 
-Indicatoren opstellen
-Eisen van onderzoek
-Correlatie en causaliteit

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

H5: Onderzoeksvaardigheden
-Methoden van onderzoek
-Conceptueel model (onafhankelijke en afhankelijke variabelen)
-Hypothese 
-Indicatoren opstellen
-Eisen van onderzoek
-Correlatie en causaliteit

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Kwalitatief en kwantitatief 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Meetinstrumenten 
Welke meetinstrumenten (methodes) herken je in de afbeeldingen?
     

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Starten met praktische opdracht
Ga in je groep aan de slag met de inleiding. Aan het einde van de les heb je een script geschreven (tekst van de presentator). Zorg dat het script de volgende onderdelen bevat:
Let op: laat eerst je onderwerp checken!!
1. Schrijf een inleiding waarin je je gekozen nieuwsonderwerp introduceert. Hoe is de kwestie ontstaan en waarom is het nu relevant?
2. Gebruik minstens 3 betrouwbare bronnen waarin over het onderwerp wordt gesproken.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Verder met praktische opdracht
Deel 1: inleiding. Zorg ervoor dat deze af is.

Ga verder met deel 2: kern en hoofdconcepten koppelen.
De hoofd en kernconcepten (zie blz. 192 van je lesboek) helpen je om maatschappelijke vraagstukken beter te begrijpen. Voor dit deel ga je de verschillende hoofd en kernconcepten koppelen en toelichten om het vraagstuk te verklaren.
1. Bij welk hoofdconcept past het onderwerp het best? Leg uit waarom. Verwerk in je antwoord de definitie van het hoofdconcept.
2. Welke kernconcepten (minimaal twee, passend bij het gekozen hoofdconcept) sluiten het best aan bij jouw onderwerp? Beschrijf per kernconcept op welke wijze dit concept van toepassing is op jouw onderwerp.
3. Kies daarnaast nog een kernconcept uit, passend bij een ander hoofdconcept. Beschrijf op welke wijze dit concept van toepassing is op jullie onderwerp.

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5.2 Onderzoeksvaardigheden
Je kunt variabelen herkennen in een tekst.
Je kunt een conceptueel model opstellen.
Je kunt een hypothese opstellen.


Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Variabele
De kans dat iets gebeurt, hangt ergens vanaf.
Waar vanaf? -> Dat heet een variabele:

Een kenmerk van een actor of samenleving dat kan variëren.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe meten we dit? 
Variabele= kenmerk van een individu (micro), groep (meso), of samenleving (macro)

Voorbeelden:
Individu = geslacht, leeftijd
Groep= sector (werk), cohesie in de buurt
Samenleving= rijk/arm, democratisch/dictatoriaal 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Conceptueel model





Een schema met hokjes en pijltjes waarin de invloed van variabelen op elkaar wordt weergegeven.
Onafhankelijke variabele
Afhankelijke variabele

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Conceptueel model
Belangrijk bij een conceptueel model:
  • De pijl gaat altijd van links naar rechts
  • De variabelen bevatten geen waarderingen
  • Als er meerdere variabelen aan de linkerkant staan, dan hebben die allemaal een aparte pijl naar rechts toe

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stel het conceptuele model op!

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Variabelen & conceptuele modellen
  • Kinderen met gescheiden ouders pesten vaker dan kinderen waarvan de ouders nog bij elkaar zijn
  • Jongeren die veel op sociale media zitten hebben een grotere kans op een depressie 
  • In dorpen groeten mensen vaker hun buren dan in steden



Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hypothesen
Hypothese= toetsbaar idee van de werkelijkheid
Belangrijk! richting kiezen in hypothese (beter/groter/kleiner)
Dus niet: A heeft een invloed op B
Aannemen: Hypothese is aangenomen (A -> B)
Verwerpen: Hypothese is niet aangenomen (geen verband A en B)

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hypothese
Een hypothese bevat tenminste:
  • De variabelen die je onderzoekt
  • De groep(en) die je bestudeert
  • De verwachte uitkomst (hoeft niet waar te zijn)

als... dan 
hoe meer... hoe beter... 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5.3 Operationaliseren
Verliefdheid als variabele is niet meetbaar. Dit moet geoperationaliseerd -> 

  • indicatoren 

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Indicatoren 
Een indicator zet je op het spoor van een variabele.

Opleidingsniveau ->  'hoogst afgeronde opleiding' (de indicator).

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe meet je de volgende variabelen?
Kwaliteit van de docent
Leerresultaat van leerlingen

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

4 eisen aan onderzoek
  • Betrouwbaarheid; herhaling = zelfde resultaten
  • Validiteit; meet je wat je wil meten
  • Representativiteit; dwarsdoorsnede van onderzoeksgroep
  • Transparantie; duidelijk en helder

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Validiteit
  • Er moet gemeten worden met helder omschreven standaarden die verantwoord kunnen worden op basis van eerder onderzoek.

bv. Als je wil meten of iemand gelukkig is, is het niet handig om de vraag te stellen 'ben je gelukkig' 
omdat er verschillende interpretaties 
van geluk zijn.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Betrouwbaarheid
  • Herhaling van het onderzoek levert dezelfde resultaten op.
  • Het mag niet uitmaken wie het onderzoek uitvoert.

bv. Een proefpersoon doet mee aan een IQ test en haalt de ene keer 107 en de andere keer 135. Dit is niet betrouwbaar.

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Representativiteit
Bij een onderzoek wordt niet ´iedereen of alles´ onderzocht maar worden er steekproeven gehouden.
  • De steekproef is een dwarsdoorsnede  van de totale groep die wordt onderzocht. 
m.a.w.
alle kenmerken van de groep moet 
worden meegenomen in de 
steekproef bij het onderzoek. 

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

5.2
Maak de tekstverkenners op blz. 95
Maak daarna opdracht 9 op blz. 98

Klaar? Bezig met onderzoeksopdracht

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Paragraaf 5.2 en deel 2 po
  • Je kunt inzien hoe je de opdrachten bij paragraaf 5.2 hebt gemaakt.
  • Je hebt de eerste drie gedeeltes van de praktische opdracht af.  

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht 9
  1.  Invoering nutriscore -> gezondheid
  2.  Leeftijd, opleidingsniveau, aanbod supermarkten etc.
  3.  Hoger opgeleiden zullen zich vaker laten leiden door de nutri-score dan lageropgeleiden. 
  4.  Er wordt door de nutri-score op anonieme wijze (door de overheid) de norm overgedragen dat het beter is om een bewuste keuze te maken voor gezond voedsel.
  5.  Aan het gebruik van de nutri-score zijn allerlei verschillende formele en informele regels verbonden. Zo geldt de formele regel dat alle producten gescoord moeten worden en vergelijkbaar moeten zijn tussen producten. Als informele regel geldt dat consumenten vooral moeten kiezen voor het gezondere alternatief. Hierdoor wordt het aankoopgedrag van consumenten gereguleerd en mogelijk geïnternaliseerd tot standaardgedrag.

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Af deze les: deel 2 en deel 3

Deel 2: kern en hoofdconcepten koppelen.
Deel 3: belangen en meningen.

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

§5.4 Correlatie en causaliteit
-Je kunt onderscheid maken tussen correlatie en causaliteit 
-Je kunt uitleggen wat een interveniërende variabele is en deze in een conceptueel model zetten

Slide 33 - Tekstslide

Pagina 91
Causaliteit
Causaliteit is een oorzakelijk verband tussen twee variabelen. 


Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Correlatie 
Correlatie is de samenhang 
tussen verschillende variabelen. 

Slide 35 - Tekstslide

Een voorbeeld: een verband tussen gemiddelde cijfers en motivatie. Noem daarbij ook het verschil tussen positieve en negatieve correlatie.
Schijncorrelatie 
Er lijkt sprake te zijn van een verband, wat er eigenlijk niet was

Slide 36 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

66,6% correlatie 

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Correlatie
Causale relatie
De kwaliteit van het lesgeven door een leerkracht kan zorgen voor meer zelfvertrouwen bij een leerling.
Als Pim ouder wordt, groeit hij. Zijn lengte neemt toe tot hij een jaar of zestig is geworden en dan neemt zijn lengte een beetje af.

Slide 38 - Sleepvraag

1. Hierbij gaat het om een verband. Zo kan de kwaliteit van het lesgeven zorgen voor meer zelfvertrouwen bij een leerling wanneer de lesstof duidelijk is voor de leerling en de leerkracht het duidelijk uitlegt. Hierbij gaat het niet per direct om een causale relatie omdat er mogelijk meerdere variabelen een rol spelen en dit niet bij alle leerlingen hoeft te gelden.  

2. Hierbij gaat het om een causale relatie, want de leeftijd van Pim heeft direct invloed op zijn lengte. 
Variabelen
Onafhankelijke variabele
Afhankelijke variabele
De variabele die als oorzaak wordt gezien voor het veranderen van een andere variabele.
De variabele die wordt beïnvloedt door een of meer onafhankelijke variabelen.

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Interveniërende variabele
 Het verband tussen de onafhankelijke en de afhankelijke variabele komt tot stand of wordt beïnvloedt door een interveniërende variabele:
 
Onafhankelijke variabele = 
Motivatie 
Afhankelijke variabele = 
Werkprestatie 
Interveniërende variabele = 
Productiviteit 

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bedenk een interveniërende variabele bij de relatie aantal uren studeren en cijfer tentamen.

Slide 41 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Zorg ervoor dat je heel H5 begrijpt

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies