scheidbare werkwoorden in de voltooide tijd

Scheidbare werkwoorden
Hij maakt de pan schoon
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Scheidbare werkwoorden
Hij maakt de pan schoon

Slide 1 - Tekstslide

Scheidbare werkwoorden
Een scheidbaar werkwoord heeft 2 woorden:
een werkwoord en een ander woord (vaak een voorzetsel)

  1. opbellen                                                                op  bellen
  2. voorzeggen                                                     voor  +  zeggen
  3. nakijken                                                                na kijken
  4. tegenkomen                                               tegen  +  komen

Slide 2 - Tekstslide

Noem een ander
scheidbaar
werkwoord

Slide 3 - Woordweb

Woordaccent
Bij een scheidbaar werkwoord ligt het woordaccent op de eerste lettergreep. Luister maar:

opbellen
voorzeggen
nakijken
tegenkomen

Slide 4 - Tekstslide

           TEGENWOORDIGE TIJD

Het andere woordje (voorzetsel) staat achteraan in de zin:

opbellen:
Ik bel mijn moeder op.


terugkomen:
We komen om 6 uur terug.
                  VOLTOOIDE TIJD

In het midden van het woord staat:                                        'ge'.

opbellen:
Ik heb mijn moeder opgebeld.

terugkomen:
We zijn om 6 uur teruggekomen.

Slide 5 - Tekstslide

Scheidbare werkwoorden in de tegenwoordige tijd

Slide 6 - Tekstslide

Wat is goed?

afwassen
A
Jullie wassen de borden af.
B
Jullie afwassen de borden.
C
Jullie wassen af de borden.
D
Jullie afwas de borden.

Slide 7 - Quizvraag

Wat is goed?

opendoen
A
Jij doen de deur open.
B
Jij doet de deur open.
C
Jij doet open de deur.
D
Jij opendoet de deur.

Slide 8 - Quizvraag

Wat is goed?

weggooien
A
Hij weggooit de bal.
B
Zij gooit de bal weg.
C
Wij weggooien de bal.
D
Ik gooi weg de bal .

Slide 9 - Quizvraag

Wat is goed?

opstaan
A
Ik sta op altijd vroeg.
B
Wij opstaan altijd vroeg.
C
Zij staan altijd vroeg op.
D
Hij staan altijd vroeg op.

Slide 10 - Quizvraag

De trein .... om 7.00 uur ....
(aankomen)

Slide 11 - Open vraag

Ik .... mijn kinderen bij school .... (ophalen)

Slide 12 - Open vraag

Mussa .... zijn vrienden ....
(uitnodigen)

Slide 13 - Open vraag

Scheidbare werkwoorden in de voltooide tijd

Slide 14 - Tekstslide

De voltooide tijd met een scheidbaar werkwoord: ge tussen scheidbaar werkwoord
 (schoonmaken)
  • Hij heeft de kamer schoongemaakt.  
 (afwassen)  
  • Zij heeft afgewassen.    
 (weggaan)                                      
  • Hij is om 08.00 uur weggegaan.          



Slide 15 - Tekstslide

Vul het voltooid deelwoord in:

Heb jij de oefening al ... (afmaken)

Slide 16 - Open vraag

Vul het voltooid deelwoord in:

Heeft Peter je al ...? (terugbellen)

Slide 17 - Open vraag

Maak de voltooide tijd:

De studenten ..... de opdracht.......... (uitwerken)

Slide 18 - Open vraag

Maak de voltooide tijd:

...........je het bericht ..............? (doorgeven)

Slide 19 - Open vraag

Maak de voltooide tijd:

Hij ......... het cadeautje ............. (openmaken)

Slide 20 - Open vraag

Maak een goede zin in de voltooide tijd met deze woorden:

Mijn moeder - de school - opbellen

Slide 21 - Open vraag

Maak een goede zin in de voltooide tijd met de woorden:

de cursisten-de oefeningen-afmaken

Slide 22 - Open vraag

Zet de zin in de voltooide tijd:

Ik ruim het huis op. (opruimen)

Slide 23 - Open vraag

Zet de zinnen in de voltooide tijd:

De docent deelt de oefeningen uit . (uitdelen)

Slide 24 - Open vraag

Ik begrijp de les.
😒🙁😐🙂😃

Slide 25 - Poll

Vormen van het voltooid deelwoord
Hulpwerk-woord
voltooid
deelwoord
zwakke werkwoorden
ik
heb
gewerkt
ge+ik-vorm+ t of d
ik
heb
gewoond
sterke werkwoorden
ik
heb
gelopen
ge+ik-vorm+en 
en soms andere klinker
ik
heb
gekregen
onregelmatige ww
ik
heb
gegeten
leerwoorden
ik 
ben
geweest
'T   K F S CH P

Slide 26 - Tekstslide