oefenmateriaal 12.1 en 12.2

Morgen toets 12.1 en 12.2
Deze les:
  1. Nakijken: antwoorden in magister
  2. Vragen stellen
  3. Leren: boek lezen, lessonups via links bestuderen opdrachten herhalen, begrippen opschrijven, 
  4. oefenen: lessonup vragen

timer
10:00
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Morgen toets 12.1 en 12.2
Deze les:
  1. Nakijken: antwoorden in magister
  2. Vragen stellen
  3. Leren: boek lezen, lessonups via links bestuderen opdrachten herhalen, begrippen opschrijven, 
  4. oefenen: lessonup vragen

timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Mitose
Meiose

Slide 2 - Sleepvraag

genotype
Fenotype
XY chromosomen
kan niet veranderen!
is erfelijk
kan tijdens het leven veranderen
is niet overerfbaar
een litteken
Is niet altijd zichtbaar

Slide 3 - Sleepvraag

DNA
Chromosoom
Celkern
Cytoplasma
Celmembraan

Slide 4 - Sleepvraag

Fenotype
Genotype

Slide 5 - Sleepvraag

Meiose I
Meiose II

Slide 6 - Sleepvraag

Chromosomen bestaan uit DNA. DNA bestaat uit?
een gen
Een allel

Slide 7 - Sleepvraag

Gen
Celkern
DNA
Chromosomen
Allelen

Slide 8 - Sleepvraag

DNA
Celkern
Cel
Chromosoom

Slide 9 - Sleepvraag

Wordt deze eigenschap bepaald door het  genotype / fenotype of door beiden?
GENOTYPE
FENOTYPE
Zowel fenotype als genotype
Iemands
lengte
Iemands
bloedgroep
Iemands bruine ogen
Iemands nieuwe haarkleur
Iemands hoge cholesterol-gehalte

Slide 10 - Sleepvraag

Dit zijn onderdelen uit de meiose van een cel. Zet de onderdelen A B C en D in de goede volgorde, 1 2 3 en 4.
Scheiding van chromosoomparen
Scheiding van chromatiden
DNA synthese
Celgroei

Slide 11 - Sleepvraag

Wat wordt bepaald door genotype of fenotype? Sleep de eigenschappen A t/m H naar genotype of fenotype. 
Genotype
Fenotype
Een wipneus
Stijl haar vanaf de geboorte
Piercings 
Sproeten
Een litteken
gespierd lichaam
Eelt op je handen door hard werken
Blauwe ogen

Slide 12 - Sleepvraag

- Het uiterlijk van een organisme noemen we het:
- Alle erfelijke eigenschappen van een organisme noemen we het:
- Dit deel van een chromosoom codeert voor 1 eigenschap:
- De variant van een gen noemen we een:
- Bij meiose ontstaan:
- Bij mitose ontstaan:
Genotype
Fenotype
Gen
Allel
Geslachtscellen
Lichaamscellen

Slide 13 - Sleepvraag

Maak de dubbele streng van het DNA molecuul compleet

Slide 14 - Sleepvraag

Mitose
Meiose
gewone celdeling
reductiedeling
46 --> 46 + 46
46 --> 23 + 23
in de geslachtscellen
in alle andere cellen
chromosomen verdubbelen

Slide 15 - Sleepvraag

Wat is de juiste combinatie van de basenparen in het DNA?
A
CT en GA
B
AG, TG, AC, en TC
C
AT en CG
D
ATCG zijn geen basenparen

Slide 16 - Quizvraag

Het pfizer vaccin bevat RNA. Welke bewering is waar over RNA?
A
Het kan zich in het DNA nestelen
B
Het kan niet in cellen komen
C
Het codeert voor een eiwit
D
Het werkt net als een eiwit

Slide 17 - Quizvraag

Mitose is de
A
Gewone celdeling
B
Reductiedeling (vorming geslachtscellen)

Slide 18 - Quizvraag

Waar lijkt RNA op?
A
DNA
B
BMR
C
HPV
D
ANR

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het doel van mitose?
A
Zorgen voor meer cellen
B
DNA kopieëren
C
Zorgen voor zaadcellen of eicellen

Slide 20 - Quizvraag

Meiose treedt op bij
A
groei van een weefsel
B
bevruchting van een eicel
C
de vorming van geslachtscellen
D
herstel van een weefsel

Slide 21 - Quizvraag

Je hebt het genotype en het fenotype.
Wat wordt bedoeld met het fenotype?
A
De erfelijke info op je chromosomen
B
Hoe je eruit ziet

Slide 22 - Quizvraag

Wat is de functie van RNA?
A
de informatie voor een eiwit van DNA naar de ribosomen overbrengen
B
het bevat alle erfelijke informatie
C
RNA maakt eiwitten
D
RNA koppelt aminozuren aan elkaar tot eiwitten

Slide 23 - Quizvraag

Wat is geen functie van de mitose
A
Groei
B
Herstel
C
Vervanging
D
Voortplanting

Slide 24 - Quizvraag

Ze je in de afbeelding hiernaast de meiose of mitose?
Ze je in de afbeelding hiernaast de meiose of mitose?
A
Meiose
B
Mitose
C
Beiden
D
Niet te zeggen

Slide 25 - Quizvraag

Wat is het fenotype?
A
de zichtbare uitdrukking van de erfelijke informatie van organismen
B
de zichtbare uitdrukking van alle informatie van de genen
C
de zichtbare uitdrukking van de dominante erfelijke informatie van organismen
D
de zichtbare combinatie van erfelijke informatie en omgevingsfactoren

Slide 26 - Quizvraag

Genexpressie betekent dat je vanuit de code met stikstofbasen atcg....
A
de cel informatie krijgt genen te maken
B
de cel informatie krijgt aminozuren te maken
C
de cel informatie krijgt om eiwitten te maken
D
de cel informatie krijgt allelen te maken

Slide 27 - Quizvraag

Je fenotype wordt grotendeels bepaald door je genotype. Wat heeft echter ook invloed op je fenotype
A
Het DNA van je ouders
B
De geslachtschromosomen
C
Je omgeving
D
Je eigen keuzes

Slide 28 - Quizvraag

DNA
A
stof die informatie bevat voor uiterlijke eigenschappen
B
stof die informatie bevat voor erfelijke eigenschappen
C
stof die informatie bevat voor innerlijke eigenschappen

Slide 29 - Quizvraag

DNA : ACTCGATTACCG
Wat is de RNA van deze DNA
A
TGAGCTAATGGC
B
UGAGCUAAUGGC
C
ACTTCGTACGGT
D
TGUGCTUUTGGC

Slide 30 - Quizvraag