cognitieve functies

1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
WelzijnMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 6 videos.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


A
educatieve activiteiten
B
sportieve activiteiten
C
sociale activiteiten
D
creatieve activiteiten

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
educatieve activiteiten
B
sportieve activiteiten
C
dramatische expressie
D
woonactiviteiten

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


A
sociale activiteiten
B
zorg activiteiten
C
recreatieve activiteiten
D
creatieve activiteiten

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

welke ontwikkeling wordt gestimuleerd?
A
sensomotorisch
B
grove motoriek
C
fijne motoriek
D
sociale ontwikkeling

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke ontwikkeling wordt hier gestimuleerd?
A
sensomotorisch
B
sociaal
C
fijne motoriek
D
grove motoriek

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

welke ontwikkeling wordt gestimuleerd?
A
sociale ontwikkeling
B
cognitieve ontwikkeling
C
senso-motoriek
D
fijne motoriek

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Cognitieve ontwikkeling
verstandelijke ontwikkeling
Het proces van leren
Opdoen, verwerken, opslaan en toepassen van kennis

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samen een maaltijd bereiden en eten: welke cognitieve ontwikkeling stimuleer je?
A
plannen, onthouden, lezen
B
lopen en onthouden
C
grove motoriek en fijne motoriek
D
tekenen, schrijven

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het geheugen

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Reminiscentie
 herinneringen uit het geheugen halen zoals:
praten over vroeger, muziek van vroeger, oude bordspelen zoals Ganzebord en Mens-erger-je-niet, films van vroeger enz. 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Les 6 

Deze les: 
  • Activiteiten voor het stimuleren van de zelfredzaamheid.
  • Activiteiten voor het veranderen van afwijkend gedrag.
  • Activiteiten gericht op het langdurig veranderen van het gedrag.
  • Werken met een activiteitenplan.

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Doel zelfredzaamheid
Doel: de cliënt zoveel mogelijk zelf laten doen! 

Wel rekening houden met de beperkingen en mogelijkheden van de cliënt.
Op stage: blijf het kind of dementerende stimuleren dingen zelf te doen!

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zoek hulpmiddelen op die de zelfredzaamheid in de zorg bevorderen (waardoor mensen langer kunnen thuis wonen)!

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

0

Slide 26 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat is afwijkend gedrag?
Gedrag wat afwijkt van wat gebruikelijk is! 
Voorbeeld: iemand gaat hard schreeuwen tijdens een film. 


Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

timer
1:00
Is een boer laten aan tafel afwijkend gedrag? Wat vind jij?

Slide 28 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Afwijkend gedrag 
Afwijkend = afwijkt van het gebruikelijke 

Wanneer wijkt het af ?
Nooit geleerd of vanuit een ziektebeeld .

Slide 29 - Tekstslide

Onder probleemgedrag, ofwel 'onbegrepen gedrag', verstaan we alle gedrag van de cliënt dat door deze cliënt en/of zijn omgeving als moeilijk hanteerbaar wordt ervaren.
Veel probleemgedrag is afhankelijk van de situatie, de persoonlijkheidskenmerken van de cliënt zelf en de mensen om hem of haar heen. Interventies zullen vaak gericht zijn op het aanpassen of veranderen van de omgeving.Koorts kun je behandelen met bijvoorbeeld paracetamol. Maar daarnaast moet je ook onderzoeken waar de koorts vandaan komt. Als een cliënt met probleemgedrag een direct gevaar vormt voor zichzelf of voor anderen, zul je ook het symptoom moeten bestrijden. Bijvoorbeeld door iemand tijdelijk apart te zetten. Maar net als bij koorts moet je verder zoeken: waar komt dit gedrag vandaan? Wat is er aan de hand? Een cliënt kan pijn hebben, maar niet in staat zijn dat aan te geven. Of een cliënt verveelt zich enorm zonder dat iemand dat doorheeft. Er kan ook sprake zijn van een psychiatrische stoornis, 

Slide 30 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Tijdelijk veranderen van gedrag 

Tijdens een lange vakantierit beginnen Joos (7) en Daniel (9) op de achterbank elkaar te klieren. Beiden vervelen zich duidelijk en de rit duurt nog een uur! 
Afleiden om gedrag tijdelijk veranderen

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Langdurig  veranderen van gedrag 
Een kind vergeet door te spoelen en de handen te wassen bij een toiletgebruik! Hoe kun je dit gedrag veranderen? 
Gedrag definitief veranderen

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelen stellen bij een activiteit
Een doel vormt de basis onder een plan.
Om het duidelijk en meetbaar te maken, maak je het doel SMART! 

SMART is een methode en hulpmiddel om doelen goed te formuleren!

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Stel je moet een activiteit bedenken en inplannen hoe pak je het aan?

Slide 35 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat staat er in een activiteitenplan?

Slide 36 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Waarom is het belangrijk dat je het werkplan van tevoren goed doorleest?
A
Je komt erachter of er nog onduidelijkheden zijn.
B
Je komt erachter of je de taak leuk vindt om uit te voeren.
C
Je komt erachter of je genoeg tijd hebt voor de taak.
D
Je komt erachter of je taken moet aanpassen.

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe vond je deze les???
😒🙁😐🙂😃

Slide 39 - Poll

Deze slide heeft geen instructies