Modalverben T.T klas 2

Modalverben in de tegenwoordige tijd
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Modalverben in de tegenwoordige tijd

Slide 1 - Tekstslide

Wat is de uitgang bij het pers. vnw. ich

Slide 2 - Woordweb

Wat is de uitgang bij het pers. vnw. er

Slide 3 - Woordweb

Wat is de uitgang bij het pers. vnw. Sie

Slide 4 - Woordweb

Ziel
Ik kan de Modalverben naar het Duits vertalen en ik kan deze in de tegenwoordige tijd vervoegen. 

Slide 5 - Tekstslide

Modalverben 
De Modalverben behoren tot een speciale categorie werkwoorden. Het zijn er 8:
möchten                                         können                                          
dürfen                                              müssen
mögen                                             sollen
wissen
wollen

Slide 6 - Tekstslide

Modalverben 
möchten = zou graag willen (wens) > Ich möchte gerne ein  Kleid.
wollen = willen (wat onbeleefder, directer) > Ich will ein Kleid.
können  = kunnen > Wir können ein Kleid kaufen, wir haben Geld.
dürfen  = mogen, toestemming hebben > Wir dürfen von meiner Mutter ein Kleid kaufen. 
mögen = leuk vinden, lusten, aardig vinden  > Wir mögen das Kleid.
wissen = weten > Wissen Sie, welches Kleid mir steht?

Slide 7 - Tekstslide

Modalverben 
sollen = moeten (wil van een ander, vraag naar een mening)
Was soll ich anziehen?
Er soll sich melden beim Direktor.

müssen = moeten (noodzaak, het kan niet anders) > unbedingt, auf jeden Fall, dringend.
Ich muss morgen unbedingt im Kleidungsgeschäft arbeiten.
Ich muss zur Toilette.

Slide 8 - Tekstslide

Braindump: wat weten we nog van de vorige les?

Slide 9 - Woordweb

Modalverben
- Wat valt jou op aan de ich & er/sie/es/man vormen?

- Wat valt jou op aan de enkelvoudvormen & de meervoudsvormen?

Slide 10 - Tekstslide

Modalverben 
Bij alle Modalverben zijn de vormen bij ich én bij er/sie/es/man gelijk:
Ich mag

er/sie/es/man mag
ich möchte

er/sie/es/man möchte

Slide 11 - Tekstslide

Modalverben 
Bij de meeste Modalverben krijgen de enkelvoudsvormen een klankverandering, terwijl de meervoudsvormen lijken op het hele werkwoord:
Ich kann
du kannst
er/sie/es/man kann
wir können
ihr könnt
sie/ Sie können

Slide 12 - Tekstslide

Modalverben
Neem de rijtjes van E Grammatik over bij je aantekening.

Fertig? Fange mit den Hausaufgaben an (außer 19, 27, 29):
Wo? Im Buch
Wie? Zu zweit oder alleine und leise
Fertig? Lerne die Modalverben über Quizlet/ Flashcards. 


Slide 13 - Tekstslide

Ich ...... (dürfen) morgen nicht Shoppen gehen.

Slide 14 - Open vraag

...... du rote Jeans? Oder lieber schwarze Jeans?

Slide 15 - Open vraag

Lesdoel bereikt?
Ik kan de Modalverben vertalen en in de t.t. vervoegen.
A
Ja, ik kan het.
B
Nee, ik snap het niet.
C
Nog veel oefenen en leren... en dan komt het goed!
D
Ja, ik denk het wel.

Slide 16 - Quizvraag

timer
0:30
Wat weet je nog over de Modalverben?
Noteer ze veel mogelijk.

Slide 17 - Woordweb