V4maw Politiek kernconcepten opdrachten 6-13

V4maw Politiek kernconcepten opdrachten 6-13
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
MaatschappijwetenschappenMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

V4maw Politiek kernconcepten opdrachten 6-13

Slide 1 - Tekstslide


6. 2p 13 Beredeneer of uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in het experiment politieke socialisatie van EU-burgers heeft plaatsgevonden. Gebruik in je uitleg:
- de omschrijving van het kernconcept politieke socialisatie;
- een omschrijving van het begrip significant;
- gegevens uit figuur 1 om significantie te illustreren;
- gegevens uit figuur 2 om significantie te illustreren.

Slide 2 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
0
B
1
C
2

Slide 3 - Quizvraag

7. In een artikel in de Groene Amsterdammer van 23 november 2011 stelt Rodrik het volgende: “De fundamentele vraag is of Nederlanders, Duitsers en andere Europeanen bereid zijn om zichzelf te zien als onderdeel van dezelfde politieke gemeenschap. Zonder dat gevoel van lotsverbondenheid is politieke eenheid onhaalbaar. Ook hier is politiek leiderschap van belang. Geen enkele natiestaat ontstaat uit zichzelf. Politieke gemeenschappen zijn verzonnen en aan de mensen verkocht. Maar zoiets kost tijd.”

Slide 4 - Tekstslide

7. 4p 14 Leg uit met welke (beleids)maatregel de lidstaten van de EU het creëren van een Europese politieke gemeenschap zouden kunnen bevorderen. Gebruik in je uitleg:
- het hoofdconcept vorming;
- twee kernconcepten bij het hoofdconcept vorming.
Noem in je antwoord de naam van de twee kernconcepten.

Slide 5 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 6 - Quizvraag

Stel dat je als sociaal wetenschapper onderzoek doet naar mogelijke oorzaken van verschil in stemgedrag van jongeren tussen 18 en 24 jaar bij de gemeenteraadsverkiezingen. Je betrekt in je onderzoek de politieke socialisatie van deze jongeren. De onderzoeksvraag waar je van uitgaat is: welke samenhang is er tussen politieke socialisatie op school en het al dan niet gaan stemmen?
4p 9 Beschrijf je onderzoeksopzet. Doe dit door:
− een hypothese te formuleren bij de gegeven onderzoeksvraag; gebruik in je formulering van de hypothese een element van het kernconcept politieke socialisatie;
− de onafhankelijke en de afhankelijke variabele te benoemen;
− de variabelen uit de hypothese te operationaliseren;
− een beredeneerde keuze voor één van de onderzoeksmethoden te maken die gangbaar zijn in de maatschappijwetenschappen. 

Vraag beantwoorden op volgende dia

Slide 7 - Tekstslide

8. 4p 9 Beschrijf je onderzoeksopzet. Doe dit door:
− een hypothese te formuleren bij de gegeven onderzoeksvraag; gebruik in je formulering van de hypothese een element van het kernconcept politieke socialisatie;
− de onafhankelijke en de afhankelijke variabele te benoemen;
− de variabelen uit de hypothese te operationaliseren;
− een beredeneerde keuze voor één van de onderzoeksmethoden te maken die gangbaar zijn in de maatschappijwetenschappen.

Slide 8 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 9 - Quizvraag

9a. Geef de belangrijkste waarden van het socialisme, confessionalisme en liberalisme.

Slide 10 - Open vraag

Aantal goed
A
0
B
1
C
2
D
3

Slide 11 - Quizvraag

9b. b. Noem de vier politieke dimensies waarop je partijen in kunt delen en leg uit wat ze betekenen.

Slide 12 - Open vraag

Aantal dimensies goed
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 13 - Quizvraag

10. 2019-II: 13Gebruik figuur 1.

In figuur 1 staat de arbeidsduur per week van werkenden naar geslacht per land. In de stippellijn is een politieke ideologie te herkennen. Politieke ideologieën kunnen ingedeeld worden naar politieke dimensies, zoals progressief/conservatief.

2p 13 - Leg uit dat in de stippellijn in figuur 1 een ideologie te herkennen is.

Gebruik in je uitleg de omschrijving van het kernconcept ideologie.

Slide 14 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
0
B
1
C
2

Slide 15 - Quizvraag

11. 2019-II: 14 Gebruik figuur 1.
De stippellijn in figuur 1 kan gelezen worden als een hypothese.
2p 14 - Beschrijf de stippellijn in figuur 1 als een hypothese.
- Leg uit of deze hypothese bevestigd of verworpen moet worden. Gebruik in je antwoord gegevens uit figuur 1 over de Europese landen.

Slide 16 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
0
B
1
C
2

Slide 17 - Quizvraag

Inleiding: In de Troonrede 2013 van het kabinet-Rutte II stond de volgende passage over de participatiesamenleving: “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving.
Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.” Deze passage zorgde voor enige politieke beroering.
De term participatiesamenleving is volgens de fractieleider van de SP Emile Roemer een eufemisme voor ‘zoek het zelf maar lekker uit’ (zie tekst 4).
Vooral onder de kabinetten-Drees (1948-1958) is een belangrijke aanzet gegeven tot de uitbouw van de sociale zekerheid (Werkloosheidswet, Algemene Ouderdomswet). In de periode 1958-1966 werd verder gewerkt aan uitbouw van de verzorgingsstaat. Er kwamen nieuwe regelingen voor kinderbijslag en arbeidsongeschiktheid, er werd een sociaal minimum ingevoerd, de Algemene Bijstandswet verving de Armenwet.
Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw kwamen de betaalbaarheid en houdbaarheid van de verzorgingsstaat steeds meer ter discussie te staan. De laatste jaren ging het maatschappelijke en politieke debat over de verzorgingsstaat steeds meer over de participatiesamenleving. Deze opgave gaat over bovenstaande ontwikkelingen.

Inleiding: In de Troonrede 2013 van het kabinet-Rutte II stond de volgende passage over de participatiesamenleving: “Het is onmiskenbaar dat mensen in onze huidige netwerk- en informatiesamenleving mondiger en zelfstandiger zijn dan vroeger. Gecombineerd met de noodzaak om het tekort van de overheid terug te dringen, leidt dit ertoe dat de klassieke verzorgingsstaat langzaam maar zeker verandert in een participatiesamenleving.
Van iedereen die dat kan, wordt gevraagd verantwoordelijkheid te nemen voor zijn of haar eigen leven en omgeving.” Deze passage zorgde voor enige politieke beroering.
De term participatiesamenleving is volgens de fractieleider van de SP Emile Roemer een eufemisme voor ‘zoek het zelf maar lekker uit’ (zie tekst 4).
Vooral onder de kabinetten-Drees (1948-1958) is een belangrijke aanzet gegeven tot de uitbouw van de sociale zekerheid (Werkloosheidswet, Algemene Ouderdomswet). In de periode 1958-1966 werd verder gewerkt aan uitbouw van de verzorgingsstaat. Er kwamen nieuwe regelingen voor kinderbijslag en arbeidsongeschiktheid, er werd een sociaal minimum ingevoerd, de Algemene Bijstandswet verving de Armenwet.
Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw kwamen de betaalbaarheid en houdbaarheid van de verzorgingsstaat steeds meer ter discussie te staan. De laatste jaren ging het maatschappelijke en politieke debat over de verzorgingsstaat steeds meer over de participatiesamenleving. Deze opgave gaat over bovenstaande ontwikkelingen.

Slide 18 - Tekstslide

12: 2p 17 Geef de visie van de confessionele ideologie op de participatiesamenleving.
Gebruik in je antwoord een uitgangspunt van de confessionele ideologie.

Slide 19 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
0
B
1
C
2

Slide 20 - Quizvraag

12: 2p 18 Geef de visie van de socialistische ideologie op de participatiesamenleving.
Gebruik in je antwoord een uitgangspunt van de socialistische ideologie.

Slide 21 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
0
B
1
C
2

Slide 22 - Quizvraag

13. Sport en bewegen nemen in de Nederlandse samenleving een belangrijke plaats in. Mensen sporten zelf, zijn vrijwilliger voor een sportvereniging of zijn op een andere manier betrokken bij sport. Volgens het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn sport en bewegen goed voor de lichamelijke en mentale gezondheid en voor het onderhouden van sociale contacten. Het beleid van het ministerie is erop gericht om meer mensen aan het sporten en het bewegen te krijgen.
Lees de regels 1 tot en met 23 van tekst 7.
Door het schrijven en uitgeven van partijprogramma’s vervullen politieke partijen enkele belangrijke functies in het proces van politieke besluitvorming: articulatie en aggregatie (zie de regels 1 tot en met 8 van tekst 7).

Slide 23 - Tekstslide

13 4p 26 - Geef een beschrijving van elk van deze functies toegespitst op sport in de gemeente.
- Leg uit welk kernconcept past bij de beschrijving van elk van deze functies.

Slide 24 - Open vraag

Aantal behaalde punten
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 25 - Quizvraag