1.7 Planten en dieren: Allemaal anders



1.7 Allemaal anders
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
Biologie / VerzorgingMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les



1.7 Allemaal anders

Slide 1 - Tekstslide

Even herhalen....
herhalen vorige les: 1.5 & 1.6 



Slide 2 - Tekstslide

Fotosynthese vindt plaats in de bladeren van planten.
A
juist
B
onjuist

Slide 3 - Quizvraag

Op welke manieren zijn planten belangrijk voor mensen en andere organismen?
Er zijn meerdere antwoorden goed.
A
Ze dienen als voedsel
B
Ze leveren zuurstof
C
Ze staan gezellig
D
Ze zijn mooi

Slide 4 - Quizvraag

In deze fase krijg je een groeispurt
A
kleuter
B
baby
C
oudere
D
schoolkind

Slide 5 - Quizvraag

Door fotosynthese maken planten voedsel voor dieren en mensen.
A
juist
B
onjuist

Slide 6 - Quizvraag

Sleep de juiste levensfase naar de juiste periode.
0 - 1,5 jaar
1,5 - 4 jaar
4 - 6 jaar
6 - 12 jaar
12 - 16 jaar
16 - 21 jaar
21 - 65 jaar
65+ jaar
Kleuter
Volwassene
Baby
Peuter

Adolescent
Puber
Oudere
Schoolkind

Slide 7 - Sleepvraag

leerdoelen vandaag (1.7)
Aan het einde van de les:
- kan je aanpassingen bij planten noemen
- kan je aanpassingen bij dieren noemen

Slide 8 - Tekstslide

1.7 Allemaal anders
Op aarde leven heel veel planten en dieren.
Die zien er allemaal anders uit.
Ze zijn aangepast aan hun manier van leven.

Slide 9 - Tekstslide

1.7 Allemaal anders
De meeste dieren en planten hebben aanpassingen aan hun leefomgeving en aan hun manier van leven.

Door aanpassingen kunnen organismen zich goed bewegen, voeden of verdedigen.

Slide 10 - Tekstslide

Links zie je een ijsbeer. Een ijsbeer is goed aangepast aan zijn omgeving.

Hoe denk je dat de ijsbeer is aangepast aan zijn omgeving?


Slide 11 - Tekstslide

1.7 Allemaal anders
IJsberen leven in het noorden, waar het koud is.
Een ijsbeer heeft daarom een dikke vacht.
Deze dikke vacht is een aanpassing aan zijn leefomgeving.

IJsberen hebben scherpe klauwen. Daarmee kunnen ze prooidieren vangen en kunnen ze zich goed verdedigen.
De klauwen van een ijsbeer zijn een aanpassing aan zijn manier van leven.

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Aanpassingen van dieren
Gestroomlijnd lichaam: Hierdoor kunnen dieren snel door het water zwemmen of vliegen.

Slide 14 - Tekstslide

Aanpassingen van planten
Wat valt je op?
Aanpassingen
Veranderingen waardoor je beter in een omgeving kunt leven
Tekst

Slide 15 - Tekstslide

Planten in een droge omgeving hebben vaak kleine bladeren en veel wortels.

Die wortels zijn nodig om voldoende water op te nemen.

Slide 16 - Tekstslide

Een plant in een natte omgeving heeft minder wortels nodig.

Slide 17 - Tekstslide

Aanpassingen om te voeden
Dieren hebben ook aanpassingen aan het soort voedsel dat ze eten.

Slide 18 - Tekstslide

Aanpassingen voor verdediging
Veel planten en dieren hebben aanpassingen om zich goed te kunnen verdedigen. Daardoor worden ze niet zo snel opgegeten. Wie kent nog meer voorbeelden?
Schutkleur
Kleur(en) waardoor het dier heel erg op de omgeving lijkt, hierdoor word je minder snel gezien.

Slide 19 - Tekstslide

Een braamstruik heeft stekels, zodat de bramen niet zo snel worden opgegeten.

Een brandnetel heeft brandharen. 


Als je een brandnetel vastpakt dan gaat het prikken en jeuken.
Hierdoor wordt een brandnetel minder snel opgegeten.

Slide 20 - Tekstslide

Een egel verdedigt zich met stekels.

Sommige dieren hebben een schutkleur.
Een schutkleur lijkt op de leefomgeving.
Daardoor wordt het dier bijna onzichtbaar.

Slide 21 - Tekstslide

Wat is de functie van schutkleuren?
A
Zo zien de dieren er mooier uit
B
Zo zijn de dieren aantrekkelijker voor een partner
C
Zo worden dieren minder snel gezien
D
Zo worden de dieren sneller gezien

Slide 22 - Quizvraag

Hoe kunnen dieren zich aanpassen als er iets veranderd?
A
Ze passen zich aan aan hun omgeving.
B
Ze gaan op een andere plek wonen
C
Ze gaan andere prooien eten
D
Ze drinken alleen nog water.

Slide 23 - Quizvraag

Wat is zijn aanpassingen bij planten om uitdroging te voorkomen?
A
Grote, platte bladeren
B
Kleine, dikke bladeren
C
weinig wortels
D
veel wortels

Slide 24 - Quizvraag

Vochtige omgeving
Droge omgeving

Slide 25 - Sleepvraag

Wat is een voorbeeld van een aanpassing van dieren aan hun omgeving?
A
Een giraffe heeft lange poten om snel te kunnen rennen.
B
Een leeuw heeft grote oren om beter te kunnen horen.
C
Een ijsbeer heeft een dikke vacht om warm te blijven.
D
Een vogel heeft veren om te kunnen zwemmen.

Slide 26 - Quizvraag

Schutkleur van een dier is een aanpassing aan de leefomgeving
A
Waar
B
Niet waar

Slide 27 - Quizvraag

Wat is een gestroomlijnd lichaam?
A
waslaagje die het lichaam bedekt
B
verandering van kleur in het lichaam
C
dit zijn de vinnen van een waterdier
D
wanneer kop, lijf en staart in elkaar overlopen.

Slide 28 - Quizvraag

Wat is een aanpassing?

Slide 29 - Open vraag

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Link

zelf aan de slag + huiswerk
1.7 Allemaal anders: lees de tekst en maak de opdrachten:

- 1.7 opdracht 1 t/m 8 maken

3a: inleveren vrijdag
3b: inleveren donderdag

Slide 32 - Tekstslide