12.4 Regeling glucoseconcentratie

12.4 Regeling glucoseconcentratie
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

12.4 Regeling glucoseconcentratie

Slide 1 - Tekstslide

Doel en begrippen 12.4
Je leert hoe de regeling van het glucosegehalte in je bloed verloopt.

glycogeen, insuline, eilandjes van Langerhans, halfwaardetijd, diabetes type 1, diabetes type 2, adrenaline

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Bloedsuikerspiegel
Insuline: wordt afgegeven door de bètacellen bij een hoge bloedsuikerspiegel. Bevordert opname van glucose in cellen. Spieren en lever nemen glucose op en vormen glycogeen. Bloedsuikerspiegel daalt

Glucagon: wordt afgegeven door de alphacellen bij een lage bloedsuikerspiegel. Lever zet glycogeen om in glucose. Bloedsuikerspiegel stijgt

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Insuline: opname glucose cellen
1. insuline bindt aan receptoren
2. In cel hechten fosfaatgroepen aan receptor
3. cascade can reacties
4. blaasjes met glucosepoortjes versmelten met celmembraan
5. Glucosemoleculen stromen de cel in.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Adrenaline
Adrenaline: stresshormoon, wordt aangemaakt door de bijnieren (die BINAS 89A).

Zorgt voor extra afbraak glycogeen door de lever: extra glucose beschikbaar in het bloed voor vechten of vluchten.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Link

Welke namen kun je bij hormoon 1 schrijven?
A
insuline
B
glucagon
C
glycogeen
D
adrenaline

Slide 11 - Quizvraag

Hoe veranderen de hormoonconcentraties van insuline en glucagon in het bloed na een maaltijd?

Slide 12 - Open vraag

Wat gebeurt er met de osmotische waarde van cellen wanneer zij glucose zouden opslaan in plaats van glycogeen?

Slide 13 - Open vraag

Slide 14 - Video

Lees blz. 142 "Suikerziekte"

Slide 15 - Tekstslide

Eén van de symptomen van suikerziekte kan zijn dat de patiënten veel plassen. Hoe komt dit? Gebruik in je antwoord de termen 'osmotische waarde van de urine' en 'osmotische waarde van het bloed'.

Slide 16 - Open vraag

Opdrachten
Maken 12.4 opdr. 4, 7 t/m 11


Slide 17 - Tekstslide