4.7 grammatica 1MK

1MK1
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

1MK1

Slide 1 - Tekstslide

Planning
  • 8 minuten lezen
  • Cijfers
  • Lesdoelen
  • Theorie
  • Aan de slag

Slide 2 - Tekstslide

timer
8:00

Slide 3 - Tekstslide

Cijfers
Proefwerk hoofdstuk 3

Slide 4 - Tekstslide

Doel van deze les
Je leert de woordsoorten bijvoeglijknaamwoord en voorzetsel benoemen.

Slide 5 - Tekstslide

Wat is een bijvoeglijk naamwoord
A
De
B
Een
C
Rode
D
Stoel

Slide 6 - Quizvraag

Over welke woordsoort zegt het bijvoeglijk naamwoord iets?
A
Telwoord
B
Zelfstandig naamwoord
C
Voorzetsel
D
Werkwoord

Slide 7 - Quizvraag

Wat geeft het over het zelfstandig naamwoord?
A
Telefoonnnummer
B
Extra informatie
C
Hoe je het schrijft
D
Adres

Slide 8 - Quizvraag

Het bijvoeglijk naamwoord kan zowel voor als achter het zelfstandig naamwoord staan.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 9 - Quizvraag

Wat is het BN in de zin:
Hij is een grote jongen.
A
Hij
B
is
C
Grote
D
Een

Slide 10 - Quizvraag

Wat is het BN in de zin:
zijn auto is snel.
A
Zijn
B
Auto
C
is
D
Snel

Slide 11 - Quizvraag

Wat is het BN in de zin:
de villa is reusachtig.
A
Reusachtig
B
is
C
Villa
D
De

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het BN in de zin:
Dat is een groen glas.
A
Glas
B
Dat
C
Groen
D
Een

Slide 13 - Quizvraag

Theorie
Een bijvoeglijk naamwoord (bn) zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het geeft extra informatie over dat zelfstandig naamwoord.

Slide 14 - Tekstslide

Theorie
Een bijvoeglijk naamwoord staat vaak voor het zelfstandig naamwoord, maar het kan er ook achter staan:
snel - zijn snelle auto - zijn auto is snel
groen - het groene glas het glas is groen
Syrisch - een Syrisch buurmeisje - het buurmeisje is Syrisch
reusachtig - de reusachtige villa - de villa is reusachtig
mooi, rood - die mooie, rode broek - de broek is mooi en rood

Slide 15 - Tekstslide

Wat zijn voorzetsels?
A
Fiets, auto, bus
B
Op, in, tussen
C
De, het, een
D
Slapen, rennen, zwemmen

Slide 16 - Quizvraag

Een voorzetsel staat nooit alleen in de zin.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quizvraag

Bij welke andere woorden hoort het VZ OP in de zin:
thuis zit ik op mijn kamer.
A
Thuis
B
Zit
C
Mijn kamer
D
Ik

Slide 18 - Quizvraag

Bij welk ander woord hoort het VZ in, in de zijn:
en lees ik in mijn boek
A
Mijn boek
B
Ik
C
Lees
D
En

Slide 19 - Quizvraag

Welk ezelsbruggetje kun je gebruiken om een VZ in de zin te vinden?
A
Tijdproef
B
De kast
C
Vraagzin
D
De vakantie

Slide 20 - Quizvraag

Theorie
Een voorzetsel (vz) staat nooit alleen: het hoort bij één of meer andere woorden:
Ik ga naar huis. Thuis zit ik op mijn kamer en lees ik in mijn boek.


Slide 21 - Tekstslide

Theorie

Voor het vinden van een voorzetsel kun je het ezelsbruggetje de kast of de vakantie gebruiken.
Een voorzetsel kun je altijd vóór deze woorden zetten:
op de kast, achter de kast, naast de kast;
in de vakantie, gedurende de vakantie, na de vakantie.

Slide 22 - Tekstslide

Paragraaf 4.7
Maken opdracht 
4 -5 - 6 - 9- 10 - 11 - 14

Slide 23 - Tekstslide