Bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

Doel

Aan het eind van de les weet je wat een bijvoeglijk naamwoord is.

Je kunt het herkennen in een zin.

1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nieuwe lesbewerkerNederlandsISK

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Bijvoeglijk naamwoord

Doel

Aan het eind van de les weet je wat een bijvoeglijk naamwoord is.

Je kunt het herkennen in een zin.

Uitleg


De vlieger

Hiernaast zie je een plaatje van een vlieger.


Welke bijvoeglijke naamwoorden kun je toevoegen?

De meloen

Je ziet een plaatje van een meloen.


Wat kun je nog meer zeggen over deze meloen?

Bijvoeglijk naamwoord

Het bijvoeglijk naamwoord geeft extra informatie.

Het vertelt over hoe iets eruit ziet: groot, klein, kleur, mooi, lelijk, rond, vierkant, lekker of vies, et cetera.


Het bijvoeglijk naamwoord staat vaak voor een zelfstandig naamwoord,

maar kan ook achteraan in de zin staan.


Laten we gaan oefenen.

Heeft de zin een bijvoeglijk naamwoord?

Tijdens de lange lunchpauze eet ik een verrukkelijke salade met heerlijke, groene paprika en zoete aardbeien.

A

ja

B

nee

C

Answer C

D

Answer D

Heeft de zin een bijvoeglijk naamwoord?

Het groepje meiden ging samen naar de nieuwe bioscoopfilm.

A

ja

B

nee

C

Answer C

D

Answer D

Heeft de zin een bijvoeglijk naamwoord?

De jongen pakte zijn leesboek en ging in de hoek zitten.

A

ja

B

nee

C

Answer C

D

Answer D

Heeft de zin een bijvoeglijk naamwoord?

Ik trap de voetbal heel ver, omdat de bal licht is.

A

ja

B

nee

C

Answer C

D

Answer D

Op papier

Je krijgt een bladzijde uit een verhaal.


Zet een cirkel om de bijvoeglijke naamwoorden.


Je krijgt vijf minuten de tijd om de bijvoeglijk naamwoorden te vinden.

1

m

00

s

Hoeveel heb je gevonden?

Oefeningen op papier

Maak nu de oefeningen op papier.


Oefening 1: omcirkel het bijvoeglijk naamwoord in iedere zin.


Oefening 2: onderstreep de bijvoeglijke naamwoorden in de zinnen.


Oefening 3: schrijf het bijvoeglijk naamwoord in de zin.