Rekenen met de getallenlijn

Rekenen met de getallenlijn

1 / 48
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBedrijfseconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Rekenen met de getallenlijn

Open de les met de getallenlijn als hulpmiddel om aantallen, sprongen en buurgetallen zichtbaar te maken.

Lesdoel

Ik kan op de getallenlijn rekenen met verliefde harten, verder en terug tellen, en sprongen van 10 maken tot en met 100.

Deze slide heeft geen instructies

Welk woord past voor jou bij rekenen op de getallenlijn?

Gebruik de antwoorden om voorkennis op te halen, zoals: vooruit, terug, sprongen, tien, tellen, plus, min, hartjes.

Verliefde harten t/m 10

Een verliefd hartje is een optelsom die samen 10 maakt.


  • 1 en 9

  • 2 en 8

  • 3 en 7

  • 4 en 6

  • 5 en 5

Benadruk dat de volgorde omgedraaid kan worden: 1 + 9 en 9 + 1 horen bij hetzelfde verliefde hart.

Verliefde harten t/m 10

Schrijf de sommen als paren die samen 10 zijn.


  • 1 + 9 = 8 + 2 =

  • 5 + 5 = 0 + 10 =

  • 3 + 7 = 6 + 4 =

  • 4 + 6 = 7 + 3 =

  • 2 + 8 = 9 + 1 =

Deze slide heeft geen instructies

10 voorbeelden t/m 10

  • 1 + ? = 10

  • 2 + ? = 10

  • 3 + ? = 10

  • 4 + ? = 10

  • 5 + ? = 10

  • ? + 5 = 10

  • ? + 4 = 10

  • ? + 3 = 10

  • ? + 2 = 10

  • ? + 1 = 10

Laat leerlingen de ontbrekende getallen mondeling noemen. Eventueel ook laten aanwijzen met 10 stippen of vingers.

Welk getal hoort bij 4 + ? = 10?

A

6

B

5

C

7

D

4

Controleert of leerlingen de verliefde harten tot en met 10 herkennen.

Maak de verliefde harten af

Bij verliefde harten tot en met 10 zoek je twee getallen die samen 10 maken. Zo horen 3 en 7 bij elkaar. Ook 5 en 5 is samen 10.

10
3 en 7
5 en 5
20
4 en 7
6 en 5

Benadruk dat beide getallen samen precies 10 moeten zijn.

Verliefde harten t/m 20

Nu zoeken we tweetallen die samen 20 zijn.


  • 1 en 19

  • 2 en 18

  • 3 en 17

  • 4 en 16

  • 5 en 15

Noem dat dezelfde gedachte als bij 10 blijft gelden: twee getallen vullen elkaar aan tot 20.

Verliefde harten t/m 20

Meer verliefde harten die samen 20 maken.


  • 6 en 14

  • 7 en 13

  • 8 en 12

  • 9 en 11

  • 10 en 10

Deze slide heeft geen instructies

10 voorbeelden t/m 20

  • 1 + ? = 20

  • 2 + ? = 20

  • 4 + ? = 20

  • 6 + ? = 20

  • 8 + ? = 20

  • ? + 11 = 20

  • ? + 13 = 20

  • ? + 15 = 20

  • ? + 18 = 20

  • ? + 19 = 20

Laat leerlingen de structuur zien: als het ene getal groter wordt, wordt het andere kleiner.

Welk verliefd hart maakt samen 20?

A

9 en 11

B

9 en 10

C

8 en 11

D

10 en 11

Laat leerlingen denken aan aanvullen tot 20.

Vul de getallen aan tot 20

Bij verliefde harten tot en met 20 vullen twee getallen elkaar aan. Bij 6 en 14 krijg je samen 20. Ook 10 en 10 hoort daarbij.

20
6 en 14
10 en 10
10
6 en 13
9 en 10

Herhaal de structuur: het ene getal groter, het andere kleiner.

Verder tellen t/m 100

Verder tellen betekent: je begint bij een getal en telt vooruit.


Op de getallenlijn ga je naar rechts.


Voorbeelden:

  • 34, 35, 36, 37

  • 58, 59, 60, 61

Koppel steeds het hardop tellen aan de richting op de getallenlijn: vooruit is naar rechts.

10 voorbeelden verder tellen

  • Tel verder vanaf 7

  • Tel verder vanaf 12

  • Tel verder vanaf 19

  • Tel verder vanaf 26

  • Tel verder vanaf 33

  • Tel verder vanaf 41

  • Tel verder vanaf 54

  • Tel verder vanaf 68

  • Tel verder vanaf 75

  • Tel verder vanaf 89

Laat leerlingen telkens minstens vier volgende getallen noemen.

Terug tellen t/m 100

Terug tellen betekent: je begint bij een getal en telt achteruit.


Op de getallenlijn ga je naar links.


Voorbeelden:

  • 43, 42, 41, 40

  • 70, 69, 68, 67

Veel leerlingen draaien de richting om. Wijs daarom duidelijk links en rechts aan op de getallenlijn.

10 voorbeelden terug tellen

  • Tel terug vanaf 10

  • Tel terug vanaf 17

  • Tel terug vanaf 24

  • Tel terug vanaf 31

  • Tel terug vanaf 45

  • Tel terug vanaf 50

  • Tel terug vanaf 63

  • Tel terug vanaf 78

  • Tel terug vanaf 92

  • Tel terug vanaf 100

Laat leerlingen telkens minstens vier vorige getallen noemen.

Welke richting ga je op bij verder tellen?

A

naar links

B

omhoog

C

naar rechts

D

omlaag

Sluit aan op de uitleg van de getallenlijn: verder tellen is vooruit, dus naar rechts.

Verder en terug tellen

Bij verder tellen ga je op de getallenlijn naar rechts. Bij terug tellen ga je naar links. Vanaf 43 terug tellen wordt 42, 41, 40.

rechts
links
42
omhoog
omlaag
44

Controleert zowel richting als een eenvoudig voorbeeld van terugtellen.

Sprongen van 10 maken

Bij sprongen van 10 verandert alleen het tiental.


Op de getallenlijn maak je een grote sprong.


Voorbeelden:

  • 23 → 33 → 43

  • 56 → 66 → 76

Benadruk dat het cijfer van de eenheden gelijk blijft bij +10 of -10, zolang je binnen hele getallen tot 100 blijft.

Zo kijk je naar +10

  • 14 + 10 = 24

  • 27 + 10 = 37

  • 35 + 10 = 45

  • 48 + 10 = 58

  • 62 + 10 = 72


Het laatste cijfer blijft gelijk.

Gebruik eventueel een honderdveld of plaatswaardetabel als extra steun voor leerlingen die het tiental en eenheid nog verwarren.

Voorbeeld 1 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 6


6 → _ → → _

Antwoorden: 16, 26, 36.

Voorbeeld 2 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 12


12 → _ → → _

Antwoorden: 22, 32, 42.

Voorbeeld 3 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 18


18 → _ → → _

Antwoorden: 28, 38, 48.

Voorbeeld 4 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 21


21 → _ → → _

Antwoorden: 31, 41, 51.

Voorbeeld 5 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 24


24 → _ → → _

Antwoorden: 34, 44, 54.

Voorbeeld 6 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 29


29 → _ → → _

Antwoorden: 39, 49, 59.

Voorbeeld 7 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 33


33 → _ → → _

Antwoorden: 43, 53, 63.

Voorbeeld 8 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 37


37 → _ → → _

Antwoorden: 47, 57, 67.

Voorbeeld 9 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 40


40 → _ → → _

Antwoorden: 50, 60, 70.

Voorbeeld 10 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 45


45 → _ → → _

Antwoorden: 55, 65, 75.

Voorbeeld 11 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 51


51 → _ → → _

Antwoorden: 61, 71, 81.

Voorbeeld 12 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 56


56 → _ → → _

Antwoorden: 66, 76, 86.

Voorbeeld 13 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 60


60 → _ → → _

Antwoorden: 70, 80, 90.

Voorbeeld 14 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 64


64 → _ → → _

Antwoorden: 74, 84, 94.

Voorbeeld 15 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 15


15 → _ → → → _

Antwoorden: 25, 35, 45, 55.

Voorbeeld 16 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 22


22 → _ → → → _

Antwoorden: 32, 42, 52, 62.

Voorbeeld 17 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 31


31 → _ → → → _

Antwoorden: 41, 51, 61, 71.

Voorbeeld 18 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 43


43 → _ → → → _

Antwoorden: 53, 63, 73, 83.

Voorbeeld 19 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 52


52 → _ → → → _

Antwoorden: 62, 72, 82, 92.

Voorbeeld 20 van 20

Schrijf de getallen bij de sprongen van 10.


Startgetal: 9


9 → _ → → → _

Antwoorden: 19, 29, 39, 49.

Wat blijft gelijk bij +10?

A

het tiental

B

het laatste cijfer

C

het eerste getal

D

de richting

De kern uit de uitleg: bij sprongen van 10 blijft de eenheid gelijk en verandert het tiental.

Sprongen van 10

Bij een sprong van 10 verandert het tiental. Bij 23 naar 33 blijft het laatste cijfer gelijk.

10
tiental
laatste cijfer
1
eenheid
eerste getal

Bespreek dat 23, 33 en 43 allemaal op 3 eindigen.

Hoe weet je de volgende getallen bij 9 → 19 → 29?

Goede antwoorden noemen dat je telkens 10 erbij doet en dat het laatste cijfer hetzelfde blijft. Voorbeeld: 9, 19, 29, 39, 49.

Wat heb jij vandaag geleerd?

Laat leerlingen kort terugkijken op wat ze geleerd hebben met de getallenlijn.

Wat vond jij het moeilijkst?

Verwachte antwoorden kunnen gaan over verliefde harten, links/rechts op de getallenlijn of sprongen van 10.

Wat hielp jou het best vandaag?

Laat leerlingen benoemen welke steun hielp, bijvoorbeeld de getallenlijn, hardop tellen of naar het laatste cijfer kijken.

Begrippenlijst

getallenlijn - Een lijn waarop getallen op volgorde staan.

verliefde harten - Twee getallen die samen een vast totaal maken.

optellen - Er komt iets bij.

verder tellen - Tellen naar grotere getallen.

terug tellen - Tellen naar kleinere getallen.

sprong van 10 - Je gaat 10 verder of 10 terug.

tiental - Het deel van een getal dat aangeeft hoeveel tienen het heeft.

Deze slide heeft geen instructies