Week 9 - Les 2


Week 9 - Les 2
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
Middelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les


Week 9 - Les 2

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Planning
Lesdoelen: beheersen vocab & expressions U1+U2, beheersen relative pronouns

1) Woorden overhoren
2) Herhaling relative pronouns
3) Verder aan zelftesten / huiswerk

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Planning
Lesdoelen: beheersen vocab & expressions U1+U2, beheersen relative pronouns
1) Woorden overhoren
2) Herhaling relative pronouns
3) Verder aan zelftesten / huiswerk

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke 'relative pronouns' zijn er?
* Who (die) - gebruikt bij mensen
That man, who has very nice hair, stole my dog!

* Which  (dat)- gebruikt bij dieren en dingen
Do you see the sheep which has black wool?

* that (die/dat) - mensen, dieren, dingen
I don't like the man that stole my dog.

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke 'relative pronouns' zijn er?
* which (wat) - om te verwijzen naar een hele zin
He can't read, which surprised me.

* Whose (van wie)- om bezit aan te geven
That is the girl whose dog I've stolen.

* whom (wie/die)-  voor mensen
To whom did you give my dog?


Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wel of niet weglaten?
*Je mag relative pronouns nooit weglaten wanneer er een werkwoord achter staat.
               I told you about the woman who lives next door.
              The apple which is lying on the table is not very pleasant.
*Je mag relative pronouns wel weglaten wanneer er geen werkwoord achter staat
              The apple (which) George lay on the table is very nice.
              The car (which) the bankrobbers escaped in was green.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Komma of geen komma?
Defining relative clauses geven noodzakelijke informatie. Je gebruikt hierbij nooit een komma.

For camp the children need clothes that are washable.
The boy (who) we met yesterday was very nice.

non-defining relative clauses geven extra informatie. Je gebruikt hierbij altijd een komma. Je mag hier het woord that niet gebruiken.

For camp the children need sturdy shoes, which are expensive.
Jim, whom we met yesterday, is very nice.

Slide 8 - Tekstslide

Do you know the girl who is talking to Tom: 5 meisjes maar slechts 1 praat met Tom

Do you know the girl, who is talking to Tom: slechts 1 meisje
(1/9)Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

Do you know for _____ this letter is?
A
which
B
whom
C
whose
D
who

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(2/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

Do you like stories in ______ technology plays an important part?
A
that
B
which
C
whose
D
who

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(3/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

"Brazil is a country in South America_____
produces a lot of coffee."
A
which
B
who
C
whom
D
whose

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(4/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

''That's Peter, the boy _____ has just come from a different school.''
A
who
B
which
C
that
D
whose

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(5/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

''I talked to the girl ____ car had broken down in front of school.''
A
who
B
which
C
that
D
whose

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(6/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

That is the dog _______ saved his owner.
A
who
B
whose
C
which
D
that

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(7/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

This song, _____I have written, is for you.
A
who
B
which
C
that
D
whose

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(8/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

I'm the person_____ wrote that song.
A
that
B
whose
C
Whom
D
which

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(9/9) Choose the right pronoun (who/which/whom/that/whose):

That's the song _____ lyrics I love.
A
who
B
which
C
that
D
whose

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Planning
Lesdoelen: beheersen vocab & expressions U1+U2, beheersen relative pronouns
1) Woorden overhoren
2) Herhaling relative pronouns
3) Verder aan zelftesten / huiswerk

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies