Grafiektekenen

Grafiektekenen
Als je tijdens een practicum verschillende metingen hebt gedaan, kun je deze gegevens in een grafiek zetten. Met een grafiek kun je goed zien of er een verband is tussen twee grootheden.
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
Natuurkunde / ScheikundeMiddelbare schoolMBOvmbo tLeerjaar 3

In deze les zitten 19 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Grafiektekenen
Als je tijdens een practicum verschillende metingen hebt gedaan, kun je deze gegevens in een grafiek zetten. Met een grafiek kun je goed zien of er een verband is tussen twee grootheden.

Slide 1 - Tekstslide

1. Benoem de assen
Schrijf bij beide assen altijd de grootheid en tussen haakjes de eenheid.
x-as: tijd (s)
y-as: afstand (m)

Meestal zet je de grootheid die je zelf verandert op de x-as. De grootheid die je meet, zet je op de y-as.

Slide 2 - Tekstslide

2. Verdeel de assen in gelijke stappen
De schaalverdeling op de assen moet duidelijk zijn en uit gelijke stappen bestaan.
Bijvoorbeeld:
0 – 5 – 10 – 15 – 20
Kies de schaal zo dat de grafiek zo groot mogelijk en netjes in het diagram past. Zorg ervoor dat de grafiek niet heel klein wordt.

Slide 3 - Tekstslide

3. Zet de meetpunten in de grafiek
Zet alle meetpunten zo nauwkeurig mogelijk in het diagram.

Een meetresultaat bestaat uit een x-waarde en een y-waarde en wordt als een punt weergegeven.
Bijvoorbeeld: (10,\ 4) 

Dat betekent: bij x = 10 hoort y = 4.

Slide 4 - Tekstslide

4. Teken een trendlijn
Als alle meetpunten zijn geplaatst, teken je een vloeiende trendlijn. De trendlijn moet zo goed mogelijk door het midden van de meetpunten lopen.
Je hoeft dus niet alle punten met elkaar te verbinden:
❌ punt → punt → punt → punt
Sommige meetpunten kunnen iets boven of onder de trendlijn liggen. Dat kan komen door een meetfout.

Slide 5 - Tekstslide

5. Lees de grafiek af
Als je een waarde uit de grafiek wilt bepalen, kijk je naar de trendlijn en niet alleen naar een afzonderlijk meetpunt.
Bijvoorbeeld: Wat is de waarde van y bij x = 20?
Je gaat vanaf x = 20 naar boven tot aan de trendlijn en vervolgens naar de y-as om de waarde af te lezen.

Slide 6 - Tekstslide

Een grafiek tekenen
1-Zet de grootheden en eenheden bij de assen.
2-Zorg voor gelijke stappen op de assen.
3-Kies een goede schaal, zodat de grafiek het diagram goed vult.
4-Zet alle meetpunten zo nauwkeurig mogelijk in de grafiek.
5-Teken een trendlijn door de meetpunten.
6-Verbind niet alle meetpunten met elkaar.
7-Bij het aflezen kijk je naar de trendlijn, niet naar één meetpunt.

Slide 7 - Tekstslide

Drie soorten verbanden
1. Lineair verband
→ De grafiek is een rechte lijn.
→ De lijn hoeft niet door de oorsprong te gaan.
De oorsprong is het punt waar de x-as en de y-as elkaar snijden: (0,0).

Slide 8 - Tekstslide

1. Lineair verband

Een lineair verband herken je aan een rechte lijn.

Slide 9 - Tekstslide

Voorbeeld:
De temperatuur van water wordt gemeten terwijl het water langzaam wordt verwarmd. Als de temperatuur regelmatig toeneemt, kan er een lineair verband ontstaan.

Slide 10 - Tekstslide

y=2x+3

Slide 11 - Tekstslide

👉 Let op: een lineaire grafiek hoeft niet door de oorsprong te gaan.

Slide 12 - Tekstslide

2. Recht evenredig verband
→ De grafiek is een rechte lijn door de oorsprong.
→ Als x verdubbelt, verdubbelt y ook.

Slide 13 - Tekstslide

2. Recht evenredig verband
Bij een recht evenredig verband is de grafiek ook een rechte lijn, maar deze gaat altijd door de oorsprong (0,0).
Voorbeeld:      Je koopt appels voor €2 per kilogram.
1 kg → €2
2 kg → €4
3 kg → €6
Hoe meer kilogram, hoe hoger de prijs.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

3. Omgekeerd evenredig verband
→ De grafiek is een kromme lijn.
→ Als x verdubbelt, halveert y.

Slide 16 - Tekstslide

3. Omgekeerd evenredig verband
Bij een omgekeerd evenredig verband geldt: als x groter wordt, wordt y kleiner. Voorbeeld:
Je hebt een vaste afstand. Als je snelheid groter wordt, heb je minder tijd nodig om dezelfde afstand af te leggen.
Bijvoorbeeld:
20 km/u → 3 uur              40 km/u → 1,5 uur      60 km/u → 1 uur

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Eén zin om te onthouden:
1- Lineair = rechte lijn.
2- Recht evenredig = rechte lijn door de oorsprong.
3- Omgekeerd evenredig = x omhoog, y omlaag.

Slide 19 - Tekstslide