Orthopedagogiek - Leerstoornissen (dyslexie, dyscalculie, TOS, faalangst)

Orthopedagogiek
Periode 4
4PMZD
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
orthopedagogiekMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Orthopedagogiek
Periode 4
4PMZD

Slide 1 - Tekstslide

Onderwerpen Periode 4
Leerproblemen
KOPP / KOV kinderen
ADHD / ADD
Hechtingsproblematiek
Gedragsstoornissen
Verslavingsstoornissen
Eetstoornissen


Slide 2 - Tekstslide

Portfolio opdrachten
Opdracht 4: infographic maken
Opdracht 5: deskundigheidsbevordering

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Leerstoornissen
  • Spellen, lezen, schrijven en rekenen = essentiële schoolse vaardigheden

  • Kinderen met leerstoornis: moeite met deze basisvaardigheden
  • Leren gaat traag, ondanks inspanning
  • Ontwikkeling blijft achter bij wat passend is voor de leeftijd
    (bijv. beperkte woordenschat bij kleuters)

  • Verschil tussen leerstoornis en leerachterstand

Slide 8 - Tekstslide

Wat weet je al over dyslexie en dyscalculie?

Slide 9 - Woordweb

Slide 10 - Tekstslide

0

Slide 11 - Video

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Leerstoornis
  • Vroege hulp = grotere effectiviteit
  • Te late ontdekking = problemen in
    andere ontwikkelingsgebieden

Voorbeelden: onzekerheid,
moeilijkheden met sociale contacten

Slide 14 - Tekstslide

TOS

Slide 15 - Tekstslide

Kenmerken van TOS

  • Leren van moedertaal: Langzaam en moeizaam.
  • Moeite met onthouden: Van klanken en woorden.
  • Emoties: Moeite met omgaan met emoties.
  • Intelligentie: Meestal normale intelligentie.
  • Plannen: Moeite met plannen.
  • Horen: Meestal goed kunnen horen.
Gedrag en symptomen
  • Moeite met praten: Kind praat weinig of is moeilijk te verstaan.
  • Weinig woorden: Kent weinig woorden en heeft moeite met het vinden van woorden.
  • Zinnen: Maakt korte zinnen of maakt veel fouten in zinnen.
  • Begrijpen: Heeft moeite met luisteren en begrijpen van anderen.
  • Frustratie: Kan boos of verlegen worden als het niet begrepen wordt of anderen niet begrijpt.









Slide 16 - Tekstslide

Wat zijn jouw ervaringen met faalangst?

Slide 17 - Open vraag

Faalangst

Gezonde angst: Houdt je alert
Ongezonde angst: Beïnvloedt je dagelijkse functioneren

Faalangst = angst om te falen 
-ondanks goede voorbereidingen.
-voorafgaand en tijdens het spannende moment.
-gedachten zoals  "ik krijg een black-out" kunnen dagen van tevoren spelen.
Prevalentie

  • Ongeveer 11% van de basisschoolkinderen 
  • Komt vaker voor bij meisjes
  • Vaker bij kinderen die bovengemiddeld presteren.


Slide 18 - Tekstslide

Oorzaken van faalangst
1. Druk om te presteren
-Vanuit kindfactoren: bijv. dyslexie of een beperking kan het gevoel geven zich extra te moeten bewijzen.
-Vanuit omgevingsfactoren: hoge verwachtingen van familie, vrienden, school of collega's.

2. Laag zelfbeeld en gebrek aan vertrouwen
-Gericht op zwakke punten
-Positieve feedback wordt genegeerd

Slide 19 - Tekstslide

Wanneer treedt faalangst op?
  • Proefwerken, spreekbeurten, willekeurige beurten in de les
  • Of in een latere levensfase bijv. tijdens stage
Gevolg: onder zijn/haar niveau presteren

Overlevingsreacties:
  1. Vluchten: Het kind ontvlucht de situatie of maakt zich onzichtbaar.
  2. Vechten: Het kind verdedigt zich door brutaal of weerstand te bieden.
  3. Bevriezen: Het kind verstijft en kan niet reageren of handelen

    Signaleren in de klas:
Kind verbergt zich voor willekeurige beurt, stelt veel of geen vragen.

Maakt negatieve opmerkingen over zichzelf, vertoont onrust, uitstelgedrag.
Wanneer treedt faalangst op?

  • Proefwerken, spreekbeurten, willekeurige beurten in de les
  • Of in een latere levensfase bijv. tijdens stage
Gevolg: onder zijn/haar niveau presteren

Overlevingsreacties:
  1. Vluchten: Het kind ontvlucht de situatie of maakt zich onzichtbaar.
  2. Vechten: Het kind verdedigt zich door brutaal of weerstand te bieden.
  3. Bevriezen: Het kind verstijft en kan niet reageren of handelen

Signaleren in de klas:
-Kind verbergt zich voor willekeurige beurt, stelt veel of geen vragen.
-Maakt negatieve opmerkingen over zichzelf, vertoont onrust, uitstelgedrag.



Slide 20 - Tekstslide

Lichamelijke kenmerken:

  • Transpireren, hartkloppingen, buikpijn/diarree
  • Snellere ademhaling, hoofdpijn, misselijkheid
  • Geen eetlust, slecht slapen, trillende handen
  • Blackout (niets meer weten)



Gedragskenmerken:

  • Clowns gedrag: Proberen faalangst te verbergen met grappen.
  • Grensoverschrijdend gedrag: Brutale houding om angst te maskeren.
  • Afhankelijk gedrag: Constant hulp vragen, ook als niet nodig.
  • Stil, teruggetrokken gedrag: Moeite met uitdrukken en gesloten zijn.

Slide 21 - Tekstslide

Aan de slag! 
Je maakt groepjes van 2-3 studenten

Jullie maken de infographic voor beginnende persoonlijk begeleiders MZ. Het doel van de infographic is hen te informeren over wat het gedrag inhoudt, wat (mogelijke) oorzaken van dit gedrag zijn en wat belangrijk is in de begeleiding van een cliënt die dit probleemgedrag vertoont.

Jullie kiezen een van onderstaande problematieken/stoornissen:
Dyslexie, dyscalculie, TOS, faalangst.

Slide 22 - Tekstslide