Totale quiz Natuurwetenschappen

Wat is een functie van de nieren?

A

Zorgen voor voedselopname

B

Vervoeren bloed naar de longen

C

Produceren zuurstofgas

D

Filteren afvalstoffen uit het bloed

1 / 48
volgende
Slide 1: Multiple_choice
newEditorNatuurwetenschappenSecundair onderwijsA-stroomLeerjaar 2

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Wat is een functie van de nieren?

A

Zorgen voor voedselopname

B

Vervoeren bloed naar de longen

C

Produceren zuurstofgas

D

Filteren afvalstoffen uit het bloed

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een voordeel van seksuele voortplanting?

A

Meer genetische variatie

B

Weinig genetische variatie

C

Snel en efficiënt

D

Geen partner nodig

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

A

cel → weefsel → orgaan → organisme → orgaanstelsel

B

celonderdeel → cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme

C

cel → celonderdeel → weefsel → orgaanstelsel → orgaan → organisme

D

celonderdeel → weefsel → cel → orgaan → organisme → orgaanstelsel

Correct is de volledige opbouwketen. De foute opties testen typische vergissingen: cel en celonderdeel omwisselen of orgaan en orgaanstelsel verwisselen.

Wat is het meetbereik van deze snelheidsmeter?

A

0

B

80

C

190

D

280

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van de baarmoeder?

A

Plaats waar zaadcellen worden opgeslagen

B

Plaats waar eicellen rijpen

C

Plaats waar embryo groeit

D

Plaats waar zaadcellen worden geproduceerd

Deze slide heeft geen instructies

Welke hypothese is het best

A

Ik drink niet graag uit een metalen beker

B

Een metalen beker is beter

C

Ik denk dat er geen verschil is tussen metalen bekers en anderen omdat het enkel gaat om wat je er in doet

D

In een metalen beker koelen dranken sneller af

De correcte optie is open, enkelvoudig, objectief, haalbaar en onderzoekbaar. Optie 2 is te breed; optie 1 is een mening; optie 4 stuurt al naar een waardeoordeel.

Welk verband is omgekeerd evenredig?

A

Prijs en aantal

B

Snelheid en reistijd

C

Massa en gram

D

Tijd en seconde

Prijs en aantal identieke producten hoort bij recht evenredig. Massa en gram, tijd en seconde zijn geen verbanden tussen twee veranderende grootheden maar andere notaties van dezelfde grootheid.

Wat is een kenmerk van een mengsel?

A

Bevat verschillende soorten deeltjes

B

Is altijd troebel

C

Is altijd vloeibaar

D

Bestaat uit één soort deeltjes

Deze slide heeft geen instructies

Rangschik de gebeurtenissen of structuren van "vroeg" naar "laat". Wat eerst gebeurt geef je cijfer 1, wat laatst gebeurt cijfer 5.

1

Innesteling

2

Bevruchting

3

Er is een embryo

4

Geslachtsgemeenschap

5

Geboorte

6

Er is een foetus

Deze slide heeft geen instructies

Welke grootheid stelt het symbool m voor?

A

massa

B

volume

C

massadichtheid

D

lengte

Sluit aan bij de slides over grootheden, meetinstrumenten en eenheden. Veelgemaakte fout: denken dat massadichtheid rechtstreeks met één instrument wordt gemeten.

Wat is de rol van gal?

A

Breekt eiwitten af

B

Knipt zetmeel in kleine stukjes

C

Maakt maagzuur zuurder

D

Helpt vetten in kleine druppels verdelen

Deze slide heeft geen instructies

Hoe groot is de resulterende kracht?

A

25N

B

225N

C

1,25N

D

12500N

Deze slide heeft geen instructies

Hoe groot is het volume van de steen?

A

15 ml

B

24 ml

C

9 ml

D

39 ml

De afleiders zijn de andere volumeformules uit de inhoudsslides. Controleer ook of leerlingen straal en diameter niet verwarren.

Waar komen ze elkaar tegen?

A

bij de start

B

na 20 km

C

na 30 km

D

ze komen elkaar nooit tegen

Deze slide heeft geen instructies

Welke onderzoeksvraag is het best als het gaat om het al of niet afkoelen van drankjes in een metalen beker?

A

Vind jij warme dranken lekker?

B

Koelt water af en waarom en wanneer?

C

Heeft het bekertype invloed op afkoeling?

D

Is een metalen beker beter?

De correcte optie is open, enkelvoudig, objectief, haalbaar en onderzoekbaar. Optie 2 is te breed; optie 1 is een mening; optie 4 stuurt al naar een waardeoordeel.

Welke energievorm past het best bij een rijdende fiets?

A

kinetische energie

B

chemische energie

C

kernenergie

D

stralingsenergie

Toetst herkenning van energievormen. Chemische energie zit eerder in voedsel of batterijen; de rijdende fiets zelf heeft bewegingsenergie.

Wat ontstaat bij celademhaling?

A

Koolstofdioxide, water en energie

B

Glucose, zuurstof en energie

C

Water, glucose en energie

D

Zuurstof, koolstofdioxide en energie

Deze slide heeft geen instructies

Welke notatie is correct voor een meetresultaat van lengte?

A

12

B

l = cm

C

12 cm

D

cm 12

Test of leerlingen begrijpen dat een meetresultaat getal + eenheid nodig heeft.

Wat is een voorbeeld van een faseovergang?

A

Zout lost op in water

B

IJs smelt tot water

C

Glucose wordt verbrand

D

Je scheurt papier in kleine stukjes

Deze slide heeft geen instructies

Sleepvraag

Zet de benamingen op de juiste plaats







Stempel

Stijl

Vruchtbeginsel

Eicel

Meeldraad

Zaadbeginsel

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van rode bloedcellen?

A

Bloedstolling

B

Vervoeren van zuurstof

C

Vervoeren van afvalstoffen

D

Helpen bij de afweer

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer zal een voorwerp in water zinken?

A

ρ voorwerp < ρ water

B

ρ voorwerp = ρ water

C

ρ voorwerp > ρ water

D

massa is klein

Benadruk het verschil tussen absolute massa en massadichtheid. Een klein metalen voorwerp kan toch zinken.

Welke erlenmeyer bevat een zuivere stof?

A

A

B

B

C

C

D

D

Een mengsel bevat verschillende soorten deeltjes door elkaar. 'Nieuwe stoffen samen' kan misleidend zijn, maar is geen goede definitie van een mengsel.

Wat is een voorbeeld van een abiotische factor?

A

Aanwezigheid van dieren

B

Bacteriën in de grond

C

Aantal planten in een biotoop

D

Temperatuur

Deze slide heeft geen instructies

Waar gebeurt de opname van voedingsstoffen

A

dunne darm

B

slokdarm

C

endeldarm

D

12-vingerige darm

Controleert of leerlingen lever en galblaas uit elkaar houden: lever maakt gal, galblaas bewaart het.

Wat is een chemisch verschijnsel?

A

Water kookt

B

IJzer roest

C

Kaarsvet smelt

D

Zout lost op

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel atomen zie je hier afgebeeld?

A

1

B

2

C

3

D

geen

Bij hout verbranden ontstaan nieuwe stoffen. De andere opties zijn fysische veranderingen waarbij geen nieuwe stof ontstaat.

Waar start de vertering van eiwitten?

A

Mond

B

Maag

C

Dikke darm

D

Slokdarm

Deze slide heeft geen instructies

Geef aan om wat voor type faseovergang het gaat:
Wanneer je uitademt tegen een raam, wordt het raam troebel.

A

smelten

B

stollen

C

condenseren

D

verdampen

Dezelfde stof blijft aanwezig: water. Niet de soort deeltjes verandert, wel hun beweging en onderlinge afstand.

De richting van de resultante is

A

links

B

rechts

C

horizontaal

D

verticaal

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een functie van eiwitten?

A

Bron van energie

B

Regelen de lichaamstemperatuur

C

Bouwstoffen voor cellen en weefsels

D

Verwerken afvalstoffen

Deze slide heeft geen instructies

Welke energieomzetting gebeurt er wanneer je een bal laat vallen

A

chemisch → kinetisch

B

potentieel→ kinetisch

C

kinetisch → potentieel

D

potentieel→ chemisch

Controleert of leerlingen de volgorde van de energieomzetting begrijpen, niet alleen de losse termen herkennen.

Welke omschrijving beschrijft de beweging het beste

A

Het voorwerp staat stil

B

Het voorwerp versnelt

C

Het voorwerp vertraagt

D

Het voorwerp beweegt aan constante snelheid

Toetst grafiekinterpretatie uit slides 22-25. Een lijn met knik wijst op veranderende snelheid.

Wat doet de lever?

A

Verwerkt giftige stoffen

B

Verteert eiwitten

C

Slaat water op

D

Filtert afvalstoffen uit het bloed

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel hoeveel verschillende soorten atomen bestaat dit molecule?

A

1

B

2

C

3

D

geen

Bij hout verbranden ontstaan nieuwe stoffen. De andere opties zijn fysische veranderingen waarbij geen nieuwe stof ontstaat.

Sleep de woorden of zinnen naar het juiste vak

Autotroof

Heterotroof



haalt energie uit voedsel

zet lichtenergie om naar chemische energie

mens

kan zelf glucose maken

gras

koe

produceert zuurstofgas

Deze slide heeft geen instructies

Tot welk stelsel behoren de nieren

A

Uitscheidingsstelsel

B

Ademhalingsstelsel

C

Spijsverteringsstelsel

D

Voortplantingsstelsel

Deze slide heeft geen instructies

Waar gebeurt de gasuitwisseling?

A

In de longblaasjes

B

In de luchtpijp

C

In de keelholte

D

In het middenrif

Controleert het onderscheid tussen luchtgeleiding en gasuitwisseling.

Je hebt een glazen voorwerp met een volume
van 280 cm³. Glas heeft een massadichtheid
van 2,5 g/cm³. Wat is de massa van dit voorwerp?

A

112 g

B

700 g

C

282 g

D

0,009 g

Sluit aan bij de slides over grootheden, meetinstrumenten en eenheden. Veelgemaakte fout: denken dat massadichtheid rechtstreeks met één instrument wordt gemeten.

Via welk plantendeel komt CO2 vooral binnen?

A

Stengel

B

Huidmondjes

C

Wortel

D

Bladgroenkorrels

Distractors verwijzen naar plantendelen uit de omliggende slides. Bladgroenkorrels zijn plaats van fotosynthese, maar geen opening voor opname.

Welke stoffen produceert een plant tijdens fotosynthese?

A

water en zuurstofgas

B

water en koolstofdioxide

C

glucose en zuurstofgas

D

glucose en koolstofdioxide

Toetst de kern van slides 2-6: autotroof versus heterotroof en het idee dat planten zelf een energierijke stof opbouwen.

Welke energie komt vrij bij celademhaling?

A

Chemische energie

B

Kinetische energie

C

Lichtenergie

D

Thermische energie

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel moleculen zie je hier afgebeeld?

A

1

B

2

C

3

D

geen

Bij hout verbranden ontstaan nieuwe stoffen. De andere opties zijn fysische veranderingen waarbij geen nieuwe stof ontstaat.

Welke kleur wordt gebruikt om de vruchtbare periode aan te duiden in deze menstruatiecyclus?

A

Blauw

B

Rood

C

Geel

D

Groen

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een voorbeeld van een prooi?

A

Gras

B

Konijn

C

Wolf

D

Paddenstoel

Controleer het onderscheid tussen rollen in voedselrelaties.

Wat is een voorbeeld van een producent?

A

Gras

B

Konijn

C

Wolf

D

Paddenstoel

Controleer het onderscheid tussen rollen in voedselrelaties.

Een voorwerp heeft een snelheid van 50 m/s.
Welke afstand heeft het afgelegd na 3 s?

A

16,7 m

B

150 m

C

150 s

D

50 m

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de belangrijkste functie van de longen?

A

Vervoeren bloed

B

Filteren afvalstoffen

C

Produceren energie

D

Gasuitwisseling

Deze slide heeft geen instructies