Hoofdstuk 16

1 / 41
volgende
Slide 1: Video
BedrijfseconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Video

hoofdstuk 16

Slide 2 - Tekstslide

Investeringen 
Terugverdientijd 
 Nettocontantewaardemethode 
 Eisen financiers
Vraag en aanbod vermogensmarkt
Deelmarkten en toezicht

Slide 3 - Tekstslide

Investeren
  • Een investering is een opoffering in geld, tijd en energie ten behoeve van een doel dat pas op langere termijn wordt behaald. 
  • Investeren wordt gebruikt voor een uitgave van nu die opbrengsten in de toekomst genereert

Slide 4 - Tekstslide

Investeringen
Uitbreidingsinvesteringen
toename productiecapaciteit
Vervangingsinvesteringen
bij technische slijtage of economische veroudering

Slide 5 - Tekstslide

Cashflow ('kasstroom')
Het verschil tussen de geldstroom die de onderneming door de investering ontvangt en de geldstroom die zij uitgeeft.

Cashflow start jaar 1 = negatief; de investering moet worden betaald

Cashflow volgende jaren = positief als met de producten die met de investering worden geproduceerd meer geld binnenstroomt dan wegvloeit

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Terugverdienperiode
Wanneer verdient een investering zich terug? 
> geen rekening houden met interest, geld dat na de investering nog binnenkomt etc.
--> Project met kortste terugverdienperiode. 

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Methode: Nettocontantewaarde (NCW)
Alle cashflows worden meegenomen + contant maken tegen interestvoet/rendementseis:

Slide 10 - Tekstslide

Investering van €5000. Cashflows zijn 4 jaar lang €1500. Rente 4%. Hoeveel is de NCW van dit project?
A
-444,84 euro
B
+5444,84 euro
C
-5444,84 euro
D
+444,84 euro

Slide 11 - Quizvraag

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Er wordt voor € 9000 geinvesteerd in project A en de jaarlijkse casflows zijn € 4000
Het geëiste rendement is 6%. Bereken de NCW van dit project. De looptijd is drie jaar
A
€3.000
B
€2.720
C
€1.692,05

Slide 14 - Quizvraag

Eisen financiers
Financiers lenen niet zomaar geld aan bedrijven uit. 
- Solvabiliteitseis
- Borgstelling

Slide 15 - Tekstslide

Solvabiliteitseis 
Solvabiliteitseis = verhouding EV/VV
  • Het vreemd vermogen mag niet te hoog zijn ten opzichte van het eigen vermogen.
  • Hoe hoger VV, hoe hoger het risico voor de financier, dus  hoe hoger de gevraagde rente.
  • Voldoet een onderneming aan de eis kan de onderneming een aantrekkeling rentepercentage krijgen

Slide 16 - Tekstslide

Wat is solvabiliteit?
A
Deze geeft de winstgevendheid van een bedrijf weer.
B
Laat zien of een bedrijf op de lange termijn aan haar verplichtingen kan voldoen.
C
Deze laat zien of een bedrijf op korte termijn aan haar verplichtingen kan voldoen.
D
Deze laat zien of er voldoende werkkapitaal aanwezig is.

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de
solvabiliteit van dit
bedrijf? EV/VV
A
60%
B
37,5%
C
62,5%
D
50%

Slide 18 - Quizvraag

Wie is er niet heel erg geïnteresseerd in de solvabiliteit van een onderneming?
A
Bank
B
Verhuurder
C
Debiteur
D
Crediteur

Slide 19 - Quizvraag

Slide 20 - Video

Operational leasing:
 een leaseovereenkomst die op korte termijn opzegbaar is. 
De huurprijs vormt kosten en komt op de winst- en verliesrekening, niet op de balans.
Het eigendom blijft in handen van de verhuurder (die loopt ook het verouderingsrisico) en hij is verantwoordelijk voor het onderhoud

Slide 21 - Tekstslide

Leasen geeft bedrijven met ...(1) financiele middelen ...(2) mogelijkheden om uit te breiden
A
1> weinig 2> minder
B
1> weinig 2> meer
C
1> veel 2> minder
D
1> veel 2> meer

Slide 22 - Quizvraag

Slide 23 - Video

Welke uitspraak met betrekking tot leasen is onjuist
A
Bij operational lease is het geleasede object economisch en juridisch eigendom van de lessor
B
Bij financial lease draagt de lessee alle risico's die aan het object verbonden zijn
C
Bij operational lease zal de lessee het geleasede object niet op zijn balans opvoeren
D
Bij operational lease is het economisch risico voor rekening van de lessee

Slide 24 - Quizvraag

Andere vormen van financiering

  • Consignatievoorraad: Hierbij ligt de voorraad in het magazijn van de onderneming, terwijl die voorraden eigendom blijven van de leverancier totdat ze worden verbruikt of de handelsvoorraad wordt (door)verkocht aan afnemers.
  • Cloudoplossingen: Hard- en/of software inclusief ondersteuning worden uitbesteed aan een IT-dienstverlener.

Slide 25 - Tekstslide

De Vermogensmarkt

Slide 26 - Tekstslide

Vraagkant vermogensmarkt

  • Consumenten
  • Overheid
  • Ondernemingen

Aanbodkant vermogensmarkt

  • Institutionele beleggers (bv. pensioenfondsen)
  • Spaarders
  • Beleggingsfondsen
  • Ondernemingen
  • Overheid

Slide 27 - Tekstslide

Wie zijn de aanbieders op de vermogensmarkt?

A
Consumenten die geld lenen
B
Consumenten die geld sparen

Slide 28 - Quizvraag

Verschil investeren en beleggen
  • Investeren is het door een onderneming aanschaffen van kapitaalgoederen ten behoeve van de uitoefening van de onderneming
  • Beleggen is geld wat over is rendabel maken door bijvoorbeeld het aankopen van aandelen. 

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Aandeel
Obligatie
Bewijs van mede-eigendom
Onderdeel EV
Onderdeel VV
Vast interest-percentage
Geen zeggenschap
Dividend
Tijdelijk vermogen
Vast vermogen
Aflossing

Slide 31 - Sleepvraag

Lening voor de aankoop van een huis, waarbij het huis als onderpand dient voor de bank.
Je leent een vast bedrag je betaalt het terug met rente
Huren van producten voor een bepaalde tijd. Je wordt geen eigenaar. Dit is vooral bij vervoermiddelen en gebouwen.

Een lening voor de aankoop van duurzame consumptiegoederen, zoals meubels of een auto.
Consumptief krediet
Hypothecaire lening
Persoonlijke lening
Leasing

Slide 32 - Sleepvraag

Onderhandse lening
Obligatie lening
Een geldgever
Veel geldgevers
Onderhandelen
Lagere kosten
Geen contact
Eenvoudig
Lening kan verkocht worden
Koerswinst mogelijk

Slide 33 - Sleepvraag

Wanneer je pas eigenaar wordt van de voorraad wanneer je deze verkoopt, dan noem je dit:
A
sale-and-lease-back
B
factoring
C
consignatievoorraad
D
cloudoplossingen

Slide 34 - Quizvraag

Toezichthouders
  • Autoriteit Financiële Markten (AFM)
  • Houdt toezicht op de markten en of consumenten duidelijke en eerlijkge informatie krijgen. 
  • De Nederlandsche Bank (DNB)
  • Verleent bankvergunningen en vergunningen aan belegginsgsondernemingen -instellingen 

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Er zijn drie belangrijke toezichthouders op de vermogensmarkt:
Autoriteit Financiële Markten (AFM)
De Nederlandsche Bank (DNB)
Autoriteit Consument & Markt (ACM)
Noem de instelling die toezicht houdt op de concurrentie tussen ondernemingen.
A
AFM
B
DNB
C
ACM

Slide 37 - Quizvraag

doorlopend krediet
koop op afbetaling
persoonlijke lening
huurkoop
rekening-courant krediet
mobiel abonnement
private lease van een auto
geld lenen om te studeren
elke 25e van de maand is m'n geld op
wekelijks lenen hoeveel ik nodig heb

Slide 38 - Sleepvraag

hoog
hoog
laag
risico
rendement
aandeel Unilever
obligatie bedrijf
obligatie overheid
sparen
aandeel
Startup

Slide 39 - Sleepvraag

Wat is een cashflow?
A
Een inkomensstroom
B
Een flow waarin een ondernemer zich rijk kan voelen
C
Alle ontvangsten en uitgaven
D
Een flow van veel winst

Slide 40 - Quizvraag

Wat is het totale bedrag ontvangen aan cashflows voor project A?
Vergeet niet op de restwaarde!
A
€2.200.000
B
€1.700.000
C
€2.350.000
D
€2.050.000

Slide 41 - Quizvraag