Toets 09 Lesvoorbereiding

Je rijdt met een leerling op de autosnelweg. In de verte zie je dat er file ontstaat. De leerling reageert niet. Hierop rem jij op het laatste moment; de leerling schrikt. Hoe ga je om met deze situatie?
A
Je vraagt: "Je wilde toch niet meeliften?"
B
Je stelt de leerling gerust.
C
Je reageert verder niet op deze fout.
1 / 50
volgende
Slide 1: Quizvraag
RijopleidingBeroepsopleiding

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Je rijdt met een leerling op de autosnelweg. In de verte zie je dat er file ontstaat. De leerling reageert niet. Hierop rem jij op het laatste moment; de leerling schrikt. Hoe ga je om met deze situatie?
A
Je vraagt: "Je wilde toch niet meeliften?"
B
Je stelt de leerling gerust.
C
Je reageert verder niet op deze fout.

Slide 1 - Quizvraag

De rijinstructeur geeft een huiswerkopdracht aan de leerling. Wat is de bedoeling van deze opdracht?
A
De leerling moet de afspraken snappen.
B
Rijinstructeur moet de afspraken snappen.
C
Zowel de rijinstructeur als de leerling moeten de afspraken snappen.

Slide 2 - Quizvraag

Aan het begin van de les geeft de rijinstructeur een uitleg van een onderdeel en laat de leerling meteen het onderdeel uitvoeren (dus de rijinstructeur demonstreert niet).
Hoe is deze leerling ingesteld?
A
Motorisch.
B
Visueel.
C
Auditief.

Slide 3 - Quizvraag

Je wilt je leerling een complexe rotonde aanleren. Wat is de beste manier van leren?
A
Je laat de leerling rijden en later de fouten bespreken.
B
Je maakt een situatieschets en laat de leerling zien en dan laten berijden.
C
Je legt uit met behulp van een situatieschets, vervolgens geef je een demonstratie en dan laat je de leerling het oefenen.

Slide 4 - Quizvraag

De leerling heeft een deeltaak uitgevoerd. De leerling moet zelfreflectie toepassen. Wat is de bedoeling van deze reflectie?
A
De rijinstructeur moet de zwakke en sterke punten van de leerling benoemen.
B
De leerling moet zelf de zwakke en sterke punten benoemen.
C
De rijinstructeur en leerling moeten samen de zwakke en sterke punten benoemen.

Slide 5 - Quizvraag

Tijdens de opleiding wil de rijinstructeur de "Rijopleiding In Stappen (RIS)" toepassen. Waar moet de instructeur deze manier van opleiden vermelden?
A
Leerplan.
B
Leergang.
C
Lesplan.

Slide 6 - Quizvraag

Je rijdt met een leerling op een doorgaande weg. Voor je rijdt een tractor met geringe snelheid. Je zegt tegen de leerling dat hij de tractor niet mag inhalen. De leerling reageert agressief. Hoe ga je om met deze situatie?
A
Je zegt niets.
B
Je zegt: "je hebt gelijk. Het is ontzettend vervelend dat je niet mag inhalen."
C
Je zegt: "Ik snap dat het vervelend is maar de bestuurder van tractor moet ook zijn werk kunnen doen en wij moeten daarvoor begrip opbrengen".

Slide 7 - Quizvraag

Je wilt tijdens de les de situatieschetsen gebruiken. Wanneer kan je dit het best doen?
A
Tijdens de uitleg.
B
Bij het aangeven van de doelstelling.
C
Na de uitleg.

Slide 8 - Quizvraag

Hoe is de leergang onderverdeeld?
A
Lesstappen.
B
In fases en elke fase wordt afgesloten met een toets.
C
Inleiding, kern en afsluiting.

Slide 9 - Quizvraag

Welke uitspraak over de leergang juist?
A
De opbouw van de leerstof in de leergang geldt niet voor alle leerlingen.
B
In een leergang staat vermeld welke lesstof nodig is om een lesdoel te bereiken.
C
De in het leerplan vastgestelde leerstof is in de leergang in een logische volgorde gerangschikt.

Slide 10 - Quizvraag

Je ziet een volledig voorrangskruispunt. Dit kruispunt is geregeld met verkeersbord B3. De zijstraten zijn voorzien van haaientanden. Van rechts nadert een personenauto. Tegemoet komt een Jeep. Net voor het kruispunt op de hoofdrijbaan is een gele onderbroken streep aangebracht. Jij nadert dit kruispunt met de leerling en je rijdt op de hoofdrijbaan. Voor welke leerling is deze locatie het meest geschikt (buiten de spits)?
A
Een leerling in de opleidingsfase van voertuigbeheersing.
B
Een leerling is de opleidingsfase van rijden in CVS.
C
Een leerling is de opleidingsfase van rijden in EVS.

Slide 11 - Quizvraag

Een instructeur bereidt een les voor een leerling voor, die begint met het rijden in EVS. Wat kan hij als leersituatie voor de eerstkomende les gebruiken?
A
Een industrieterrein.
B
Een rijbaan bibeko met weinig verkeer.
C
Een drukke winkelstraat.

Slide 12 - Quizvraag

Je bereidt de les 'zelfstandig rijden' voor. Je ziet hieronder de omschrijving van 3 verkeerssituaties. Welke situatie kan je het beste in deze les opnemen?
A
Rijbaan met 2 rijstroken met totaal geen verkeer.
B
Rijbaan met voorsorteerstroken met enkele auto's.
C
Rijbaan met veel verkeer, dus een moeilijke situatie.

Slide 13 - Quizvraag

Je ziet hieronder steeds 3 instructieonderdelen.
Bij een gemiddelde leerling is de meest logische volgorde:
A
Wegrijden en stoppen, fileparkeren en stuurtechniek.
B
Stuurtechniek, wegrijden en stoppen en opschakelen.
C
Stuurtechniek, recht achteruit rijden en wegrijden en stoppen.

Slide 14 - Quizvraag

De fase van de voertuigbediening en voertuigbeheersing is afgesloten en de leerling kan het voertuig zelfstandig bedienen. Je plant nu enkele vervolglessen. Welk lesonderwerp moet je, didactisch gezien, als laatste gaan behandelen?
A
Inhalen.
B
Wegrijden en stoppen.
C
Het berijden van kruispunten.

Slide 15 - Quizvraag

Welke van de volgende onderdelen moet u als laatste behandelen bij het leren berijden van kruispunten?
A
Voorrang verlenen.
B
Ruimtekussen.
C
Snelheid aanpassen.

Slide 16 - Quizvraag

De instructeur heeft gepland om in deze situatie vooruit in file te parkeren. Voor welke fase van de opleiding is dit de meest geschikte oefenplaats?
A
Als de leerling leert rijden in EVS.
B
Als de leerling leert rijden in CVS.
C
Als de leerling zelfstandig leert rijden.

Slide 17 - Quizvraag

Wie moet de verbeterpunten ontdekken in de mentorfase?
A
De rijinstructeur.
B
De leerling.
C
De rijinstructeur en/of de leerling.

Slide 18 - Quizvraag

Wie moet de verbeterpunten ontdekken in de correctorfase?
A
De rijinstructeur.
B
De leerling.
C
De rijinstructeur en/of de leerling.

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de aansluiting bij het bekende van keren op een niet te brede rijbaan door middel van steken?
A
Stuurtechniek.
B
Recht achteruitrijden.
C
Bocht achteruitrijden.

Slide 20 - Quizvraag

Je zit in de fase van EVS.
In welk vak laat je de leerling achteruit parkeren?
A
Links naast de auto met aan de linkerzijde een stoeprand.
B
Rechts naast de auto met aan de rechterzijde een vrij vak.
C
In een vak, waarbij zowel links als rechts vrij is.

Slide 21 - Quizvraag

Je zit in de fase van CVS. In welk vak laat je de leerling achteruit parkeren?
A
Links naast de auto met aan de linkerzijde een stoeprand.
B
Rechts naast de auto met een de rechterzijde een vrij vak.
C
In een vak, waarbij zowel links als rechts vrij is.

Slide 22 - Quizvraag

Je rijdt met de leerling op de autosnelweg. De leerling schakelt uit zichzelf naar een hogere versnelling.
(5e versnelling). Je zegt "OKE". Welke van de onderstaande omschrijvingen voldoet aan deze opmerking?
A
Dit is een hint.
B
Je attendeert de leerling op overmoedig gedrag.
C
Je complimenteert de leerling.

Slide 23 - Quizvraag

Wanneer geeft de rijinstructeur uitleg in de auto?
A
Stilstaand voor de demonstratie.
B
Na het bekend maken van de doelstelling.
C
Stilstaand na de demonstratie.

Slide 24 - Quizvraag

Je hebt een gespannen leerling. Er valt een lange stilte in de auto. Hoe ga je om met deze situatie?
A
Je vertelt je eigen belevenissen.
B
Je geeft meer aanwijzingen.
C
Je maakt het voor de leerling tijdelijk wat gemakkelijker en probeert de spanning te verminderen.

Slide 25 - Quizvraag

Wat toets je bij een proefexamen?
A
Of de leerling klaar is voor het CBR examen.
B
Of de leerling klaar is voor het CBR examen en het vaststellen van de verbeterpunten.
C
Vaststellen van de verbeterpunten van de leerling.

Slide 26 - Quizvraag

Je oefent de autosnelweg met een onzekere leerling.
Hoe handel je in deze situatie het beste?
A
Je geeft iets meer hints.
B
Je gaat iets meer begeleiden.
C
Je wacht af wat de leerling gaat doen.

Slide 27 - Quizvraag

Wat mag je niet vergeten bij de uitleg?
A
Om de globale foutgedraging te vertellen.
B
Situatieschets te gebruiken en specifieke foutgedraging te vertellen.
C
Foutgedraging te vertellen.

Slide 28 - Quizvraag

Leerling rijdt inmiddels zelfstandig. Je geeft opdracht om te keren. Leerling voert opdracht bewust uit op een veilige locatie.
Wat doe je in deze situatie?
A
Complimenteren.
B
Vragen waarom hij daar heeft gekeerd.
C
Je zegt niets.

Slide 29 - Quizvraag

Je gaat lessen met een gevorderde leerling.
Je geeft alleen een oriëntatiepunt en begint meteen met de leerling te lessen zonder enige vooruitblik.
Wat zal het gevolg hiervan zijn?
A
Leerling raakt meer gemotiveerd, omdat hij sneller aan de les begint.
B
Hij begrijpt niet helemaal wat de bedoeling is.
C
Zo leert hij zelfstandig rijden.

Slide 30 - Quizvraag

Wat zijn de 3 onderdelen van het instructieproces?
A
Inleiding, kern en afsluiting.
B
Planning, uitvoering en evaluatie.
C
Uitvoering, evaluatie en planning.

Slide 31 - Quizvraag

Leerling belt vooraf en geeft door dat hij ontzettend zenuwachtig is. Je haalt de leerling op en rijdt zelf met hem naar een rustige parkeerplaats.
Waarom rij je zelf naar deze locatie toe?
A
Leerling eerst kennis laten maken met voertuig.
B
Om de leerling niet, nog meer onzeker te maken.
C
Om te voldoen aan de eisen van de leerling.

Slide 32 - Quizvraag

Je ziet een witte bestelbus vlak na een V.O.P., aan de rechterzijde geparkeerd. Leerling stopt bewust voor de V.O.P.. Hoe handel je in deze situatie?
A
Je geeft een compliment.
B
Je vraagt waarom hij voor de V.O.P. gestopt is.
C
Je vraagt hoe het geregeld is voor wat betreft parkeren bij een V.O.P..

Slide 33 - Quizvraag

Afspraken tussen rijinstructeur en leerling:
Welke invulling moet men daaraan geven?
A
Rijinstructeur en leerling gaan akkoord met de mondelinge afspraken.
B
Afspraken schriftelijk vastleggen en uitreiken aan de leerling.
C
De rijinstructeur en leerling herhalen samen de gemaakte afspraken.

Slide 34 - Quizvraag

Afspraken zijn schriftelijk vastgelegd. Je overhandigd dit aan de leerling. De leerling stopt het het meteen in zijn binnenzak.
Wat doe je in deze situatie?
A
Afspraak laten herhalen.
B
Je gaat dit later in de opleiding bespreken.
C
Je gaat dit meteen in de auto bespreken.

Slide 35 - Quizvraag

Je wilt de leerling achteruit fileparkeren aanleren (links van de rijbaan).
Welke handelingen sluiten aan op het bekende?
A
Halve draai.
B
Vooruit rechts fileparkeren.
C
Achteruit rechts fileparkeren.

Slide 36 - Quizvraag

De leerling schakelt vlot naar de 5e versnelling, vervolgens zegt de rijinstructeur,
"Prima dat je nu al naar de 5e schakelt".
Hoe zou je deze woorden kunnen omschrijven?
A
Dit is hint.
B
Dit is een compliment.
C
Dit is een aanwijzing.

Slide 37 - Quizvraag

Je gaat achteruit rijden met je leerling.
Je merkt dat je leerling moeite heeft met de koppeling. Wat ga je doen?
A
Je stopt en gaat iets anders doen.
B
Je rijdt achteruit maar je stopt met regelmaat.
C
Je laat achteruitrijden en je laat stoppen bij een eindpunt.

Slide 38 - Quizvraag

Je hebt met een leerling de stuurtechniek de overpakmethode geoefend op een leeg industrieterrein.
Waar ga je dit verder met de leerling oefenen?
A
In een 30km zone met weinig verkeer.
B
In het gewone verkeer.
C
Op een parkeerterrein waar veel vrachtverkeer rijdt.

Slide 39 - Quizvraag

Wat is de juiste volgorde van lesgeven?
A
Demonsteren- motiveren- mentor- corrector.
B
Motiveren- demonsteren- mentor-corrector.
C
Corrector- mentor- motiveren- demonsteren.

Slide 40 - Quizvraag

Beginnende leerling komt aanrijden in deze situatie en vermindert zijn snelheid niet. Wat doe je?
(let op: de leerling is nog ver van het kruispunt verwijderd).
A
Rijinstructeur remt zelf af.
B
Je zegt "remmen want we naderen een kruispunt".
C
Net voor het kruispunt zeg je tegen de leerling, afremmen, snelheid verminderen en terugschakelen.

Slide 41 - Quizvraag

Leerling zit in eindfase van EVS. Je gaat met deze leerling een turborotonde berijden. Je merkt dat de leerling onvoldoende kijkt. Hoe kan je didactisch gezien het beste handelen in die situatie?
A
Je laat de leerling een aantal keren de rotonde berijden.
B
Je laat de leerling hard op verwoorden.
C
Je gaat met de leerling de rotonde berijden en je begeleidt de leerling en geeft een aantal aanwijzingen.

Slide 42 - Quizvraag

De leerling zit in de eindfase van de opleiding.
Je nadert met de leerling een ingewikkelde rotonde voor de eerste keer.
Wat doe je in deze situatie?
A
Zelfstandig laten berijden.
B
Volledig begeleiden.
C
Tijdens het berijden geef je enkele aanwijzingen.

Slide 43 - Quizvraag

De leerling slaat linksaf en voert het netjes uit. De rijinstructeur geeft aan dat de leerling het netjes en goed heeft uitgevoerd. Wat voor gevolg heeft dit voor de leerling?
A
Leerling krijg meer motivatie.
B
Leerling doet een succeservaring op.
C
Heeft geen invloed op de leerling.

Slide 44 - Quizvraag

De leerling had zijn doelstelling behaald naar aanleiding van...?
A
Procesvaluatie.
B
Productevaluatie.
C
Startevaluatie.

Slide 45 - Quizvraag

Je wilt vaststellen of de doelstelling al dan niet bereikt is met de leerling.
Hoe kan je dat vaststellen?
A
Door een productevaluatie te doen.
B
Door een procesevaluatie te houden.
C
Door de leerling te toetsen.

Slide 46 - Quizvraag

De leerling zou een toets krijgen maar belt af.
Wat moet je de eerstvolgende les doen? Leerling zit in de fase van eenvoudige verkeerssituaties.
A
Een praktijkgerichte toets afnemen.
B
Met complexe situaties verder gaan.
C
Vragen stellen over de voorafgaande lessen.

Slide 47 - Quizvraag

De rijinstructeur moet een foutenanalyse maken. Wat voor foutenanalyse moet hij maken?
A
Een globale foutenanalyse.
B
Een foutenanalyse.
C
Een specifieke foutenanalyse.

Slide 48 - Quizvraag

Je gaat achteruit parkeren in een parkeervak aan de rechterzijde van de rijbaan oefenen.
De auto komt op de belijning van de parkeervak terecht, half in het ene vak en half in het andere vak).
Wat is hier fout gegaan?
A
Stuurtechniek was onjuist.
B
Ideale parkeerlijn niet in acht genomen..
C
Kijktechniek onjuist.

Slide 49 - Quizvraag

Tijdens de opleiding wil de rijinstructeur de "Rijopleiding In Stappen (RIS)" toepassen. Waar moet de instructeur deze manier van opleiden vermelden?
A
Leerplan.
B
Leergang.
C
Lesplan.

Slide 50 - Quizvraag