Hoofdstuk 3.2 Hoe rijk is het rijk?

3.2 Hoe rijk is het rijk?
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
Mens & MaatschappijMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

3.2 Hoe rijk is het rijk?

Slide 1 - Tekstslide

Vorige les?

Slide 2 - Woordweb

Leerdoelen
Aan het einde van de les kan je verklaren ...
- wie het rijk van Nederland is
- wat er op Prinsjesdag gebeurd
- waar een deel van je loon heen gaat
- welke maatregelen er worden genomen als er een begrotingstekort is

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

De derde dinsdag in september
Prinsjesdag -> koffertje-> rijksbegroting -> miljoenennota 
Plannen maken over hoe ze aan de inkomsten komen en waar ze het aan uitgeven
Rijksoverheid
Minister van financiën 

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Video

Prinsjesdag valt altijd op
A
de derde dinsdag van september
B
de tweede dinsdag van september

Slide 7 - Quizvraag

De minister van Financiën maakt elk jaar voor Prinsjesdag een
A
staatsschuld
B
wetten
C
begrotingstekort
D
rijksbegroting

Slide 8 - Quizvraag

Belasting van je loon
De plannen uit de rijksbegroting worden hiermee betaald
Er zijn 2 soorten inhoudingen op je loon:
1. premies voor de sociale verzekering -> uitkering mee betaald
2. loonbelasting -> voor de overheid 

BTW= belasting toegevoegde waarde 
Accijns-> sigaretten en drank

Slide 9 - Tekstslide

Wat is een ¨uitkering¨?

Slide 10 - Woordweb

Bruto- of nettoloon
Bruto gaat nog belasting af
Het geld dat je uiteindelijk op je bank krijgt is netto

formule:
brutoloon- inhoudingen= nettoloon

Slide 11 - Tekstslide

Geld over of tekort 
Rijksoverheid verwacht dat ze meer inkomsten hebben dan 
uitgaven -> geld over = begrotingsoverschot.

Rijksoverheid verwacht dat ze meer uitgaven hebben dan inkomsten-> geld tekort= begrotingstekort. 

Slide 12 - Tekstslide

Welke maatregelen kan de Rijksoverheid nemen om een begrotingstekort te verminderen?

Slide 13 - Open vraag

Collectief en particulier 
De overheid zorgt voor voorzieningen waarvan iedereen in het land gebruik kan maken, zoals de brandweer en politie = collectieve voorzieningen. 
Alle dingen in de samenleving die door de overheid worden betaald en georganiseerd = collectieve sector 
Als je niet tot de collectieve sector behoort is dat particuliere sector (banken en winkelbedrijven)

Slide 14 - Tekstslide


Collectieve sector =

overheid en sociale zekerheidinstellingen

  • geen winstdoel


Particuliere sector =

bedrijven en burgers

  • winstdoel


Collectieve en particuliere sector

Slide 15 - Tekstslide

Leerdoelen
Aan het einde van de les kan je verklaren ...
- wie het rijk van Nederland is
- wat er op Prinsjesdag gebeurd
- waar een deel van je loon heen gaat
- welke maatregelen er worden genomen als er een begrotingstekort is

Slide 16 - Tekstslide