Eindles Gram. Woordsoorten

Pak je leesboek en ga lekker lezen!
timer
15:00
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 24 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Pak je leesboek en ga lekker lezen!
timer
15:00

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we deze les doen?
  • Herhaling woordsoorten
  • Leren

Slide 2 - Tekstslide

Huiswerk
Maandag 20 maart:
Toets Gram Woordsoorten


Slide 3 - Tekstslide

Doel van deze les:
  • Ik weet wat de woordsoorten inhouden.
  • Ik kan de woordsoorten herkennen.

Slide 4 - Tekstslide

Woordsoorten klas 1
  • zelfstandig naamwoord (zn)
  • bepaald (blw) en onbepaald lidwoord (olw)
  • bijvoeglijk naamwoord (bn)
  • zelfstandig werkwoord (zww), hulpwerkwoord (hww), koppelwerkwoord (kww)
  • persoonlijk (pers. vnw.) en bezittelijk voornaamwoord (bez. vnw.)
  • aanwijzend (aanw.vnw) en vragend voornaamwoord (vr.vnw)
  • voorzetsel (vz)
  • bijwoord (bw)

Slide 5 - Tekstslide

zelfstandig naamwoord (zn)
  • mensen, dieren, planten, dingen (medipladi)
  • kan een lidwoord voor staan
  • heeft vaak een enkelvoud en een meervoud
  • kun je vaak een verkleinwoord van maken
  • ook eigennamen zijn zelfstandig naamwoord

Slide 6 - Tekstslide

lidwoord (lw)
Er zijn drie lidwoorden: de, het, een.

  • De en het zijn bepaalde lidwoorden (blw).
  • Een is een onbepaald lidwoord (olw).

Slide 7 - Tekstslide

bijvoeglijk naamwoord (bn)
  • Bijvoeglijk naamwoord geeft extra informatie over een zn. 
  • Ze kunnen voor, maar ook achter het zn staan.
  • Ze hebben vaak een korte en een lange vorm.

De rode pen. 
De pen is rood.

Slide 8 - Tekstslide

Zelfstandig, koppel- en hulpwerkwoord 
  • Zelfstandig werkwoord (zww) is het belangrijkste  
   werkwoord in de zin. Het geeft aan wat het onderwerp doet of 
   overkomt.
  • Hulpwerkwoorden (hww) komen voor in zinnen met meerdere 
   werkwoorden. Ze 'helpen' om het gezegde te maken.
  • Koppelwerkwoord (kww): zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen 

Bij de bakker zou je lekkere gebakjes kunnen kopen.

Slide 9 - Tekstslide

Aanwijzend en vragend voornaamwoord
  • Een aanwijzend voornaamwoord (aanw.vnw) wijst een mens, 
  dier of ding aan. Deze, die, dit, dat, zo'n, zulke, dergelijke, zelf, 
  hetzelfde, dezelfde.
  • Een vragend voornaamwoord (vr.vnw) vraagt naar iets of 
   iemand. Wie, wat, welk(e), wat voor (een).
   Andere vraagwoorden zijn bijwoorden (bw).

Slide 10 - Tekstslide

voorzetsel (vz)
  • Geeft vaak een plaats, tijd, reden of oorzaak aan.
  • Worden ook wel 'kastwoorden' of 'feestjewoorden' genoemd.
  • Op, achter, naast, tijdens, langs, van, onder, bij, tussen, ...

Slide 11 - Tekstslide

bijwoord (bw)
  • Als een bijwoordelijke bepaling (bwb) uit één woord bestaat, is 
   het een bijwoord.
  • Bijwoorden kunnen van alles aangeven:
   - Tijd: gisteren, vandaag, morgen, straks, vroeger
   - Plaats: hier, daar, ergens, nergens, er, overal
   - Zekerheid: ongetwijfeld, absoluut, zeker
   - Ontkenning: niet, nooit, geenszins

Slide 12 - Tekstslide

bijwoord (bw)
Het bijwoord kan ook iets zeggen over een ander woord:
- werkwoord: Robert loopt hard.
- bijvoeglijk naamwoord: Het schilderij is erg mooi.
- ander bijwoord: Sietske fietste erg snel.

Slide 13 - Tekstslide

Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
  • Een persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) duidt een persoon, dier of ding aan: Zij varen, ik leg het op de kast, jij speelt vals.
  • Een bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw) geeft aan van wie 
   iets is. Het staat altijd vóór het zelfstandig naamwoord waar 
   het bij hoort: Jouw schooltas, jullie boeken, mijn sleutels.

Slide 14 - Tekstslide

Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Slide 15 - Tekstslide

Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord

Slide 16 - Tekstslide

Hoofd-en rangtelwoorden

hoofdtelwoorden (htw):

geven een hoeveelheid aan

1, één, 8, acht, 35, vijfendertig, 1000, duizend

rangtelwoorden (rtw):

geven een volgorde aan

eerste, 1e, tweede, 2e, 120e, honderdtwintigste 

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

bepaald of onbepaald telwoord

bepaald telwoord (btw)

het aantal is bekend.

vijf, 5, vijftig, 50


onbepaald telwoord (otw)

het aantal is niet bekend.
veel, weinig, enkele

Slide 19 - Tekstslide

Nog even op een rijtje

Slide 20 - Tekstslide

Enkelvoudige en samengestelde zinnen

Enkelvoudige zin: een zin met 1 persoonsvorm

Evelien werkt bij de bakker. 


Samengestelde zin: zin met meer dan 1 persoonsvorm

Evelien werkt bij de bakker, want zij bakt graag koekjes. 

Slide 21 - Tekstslide

zww, kww en hww in samengestelde zinnen

Je hebt geleerd hoe je in een enkelvoudige zin vaststelt of een werkwoord een zelfstandig werkwoord (zww), koppelwerkwoord (kww) of hulpwerkwoord (hww) is. Je kunt ook te maken krijgen met samengestelde zinnen waarin je de werkwoorden moet benoemen. 

Slide 22 - Tekstslide

zww, kww en hww in samengestelde zinnen
Hoe pak je dit aan?
  1. Bepaal of je te maken hebt met een enkelvoudige of samengestelde zin. 
  2. Splits de samengestelde zin in enkelvoudige zinnen. 
  3. Stel in elke enkelvoudige zin vervolgens vast wat voor soort werkwoord erin staat (zww, kww en/of hww). 

Slide 23 - Tekstslide

Aan de slag!
Leren voor de toets: De Brug, H3, H4, H6
  • samenvatting maken
  • trainen
  • extra opdrachten 
timer
20:00

Slide 24 - Tekstslide