MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Examentraining
Surplus en doelmatigheid: zo pak je examenvragen aan
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Examentraining
Surplus en doelmatigheid: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Rob Croes / Anefo (Nationaal Archief) / Wikimedia Commons, CC0
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over surplus, doelmatigheid, marktmacht en prijsdiscriminatie beantwoorden en berekenen.
Deze slide heeft geen instructies
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke lijnen (Qv, Qa, MO, MK) en welk punt (evenwicht of marktmacht) horen bij de vraag?
2. Bepaal: de hoeveelheid, de prijs en waar de lijnen de prijsas snijden.
3. Teken: de driehoek of rechthoek en lees basis (Q) en hoogte (prijsverschil) af.
4. Bereken: 1/2 x basis x hoogte voor een driehoek, basis x hoogte voor een rechthoek, en tel op.
Deze slide heeft geen instructies
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Vraagtype 1: surplus bij losse vragers
Surplus van een vrager: betalingsbereidheid min marktprijs. Alleen vragers die kopen tellen mee.
Surplus van een aanbieder: marktprijs min de laagste prijs waartegen hij levert. Alleen wie verkoopt, telt mee.
Totaal surplus: alle surplussen van vragers en aanbieders bij elkaar opgeteld.
Een vrager met een betalingsbereidheid onder de marktprijs koopt niet: zijn surplus is nul.
Deze slide heeft geen instructies
Betalingsbereidheid 11, 8, 6 en 3 euro, marktprijs 5. Consumentensurplus totaal?
8 euro
12 euro
6 euro
10 euro
De vrager met 3 euro koopt niet. Surplus: 11 - 5 = 6, 8 - 5 = 3, 6 - 5 = 1: samen 10. Verwachte fouten: de vrager met 3 meetellen als -2 (8), als +2 (12), of alleen de eerste vrager (6).
Betalingsbereidheid 12, 9, 7, 4; aanbieders vanaf 3, 5, 7, 10. P = 7. Totaal surplus?
7 euro
13 euro
6 euro
9 euro
Kopers: 12, 9 en 7 (CS = 5 + 2 + 0 = 7). Aanbieders: 3, 5 en 7 (PS = 4 + 2 + 0 = 6). Totaal 13. Verwachte fouten: alleen het CS (7), alleen het PS (6) of alleen de eerste ruil (9).
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Vraagtype 2: surplus bij rechte lijnen
Bepaal eerst het evenwicht: stel Qv gelijk aan Qa.
Zoek de prijs waarbij Qv = 0 (voor het CS) en de prijs waarbij Qa = 0 (voor het PS).
Basis = evenwichtshoeveelheid, hoogte = prijsverschil. Oppervlakte = 1/2 x basis x hoogte.
Is het surplus gegeven, werk dan achterwaarts: hoogte = 2 x surplus : basis.
Deze slide heeft geen instructies
Qv = -2P + 40 en Qa = 4P - 20. Hoe groot is het consumentensurplus?
50
150
100
200
Evenwicht: 40 - 2P = 4P - 20, dus P = 10 en Q = 20. Qv = 0 bij P = 20. CS = 1/2 x 20 x (20 - 10) = 100. Verwachte fouten: het PS (50), het totaal (150) of het 1/2-deel vergeten (200).
Bij Q = 30 is het consumentensurplus 90. Qv snijdt de prijsas bij 12. Wat is P?
6 euro
9 euro
3 euro
8 euro
1/2 x 30 x (12 - P) = 90, dus 12 - P = 6 en P = 6. Verwachte fout: het 1/2-deel vergeten: 30 x (12 - P) = 90 geeft P = 9.
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Vraagtype 3: marktmacht en verloren surplus
Bij marktmacht lees je de prijs af op de Qv, bij de hoeveelheid waar MO = MK.
Verloren surplus = 1/2 x (Q bij concurrentie min Q bij marktmacht) x (prijs op Qv min MK).
De rechthoek (prijsstijging x verkochte hoeveelheid) is geen verlies: die gaat naar de aanbieder.
Vergelijk CS en PS vóór en na: het totaal daalt met het verloren surplus.
Deze slide heeft geen instructies
Concurrentie: Q = 60. Monopolist: Q = 40, prijs op Qv 10, MK 6. Verloren surplus?
80
40
60
20
Basis 60 - 40 = 20, hoogte 10 - 6 = 4: 1/2 x 20 x 4 = 40. Verwachte fouten: het 1/2-deel vergeten (80), een verkeerde hoogte of basis gebruiken (60, 20).
CS daalt van 180 naar 80, PS stijgt van 180 naar 240. Welke conclusie klopt?
Het totaal surplus daalt met 60 en CS daalt met 100
Het totaal surplus blijft gelijk: 100 gaat naar het PS
Het totaal surplus daalt met 100 en PS stijgt met 60
Het totaal surplus daalt met 40 en PS stijgt met 60
Totaal vooraf 360, nadien 80 + 240 = 320: verloren surplus 40. CS -100, PS +60. Verwachte fout: alleen naar de daling van het CS kijken (100).
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Vraagtype 4: doelmatigheid en afromen
Vergelijk per eenheid wat de vrager ervoor over heeft (Qv) met wat het kost (Qa of MK).
Is de betalingsbereidheid hoger dan de kosten, dan verhoogt die eenheid het totaal surplus.
Prijsdiscriminatie verplaatst consumentensurplus naar de aanbieder: afromen.
Doelmatigheid gaat over de grootte van het totaal surplus, niet over de verdeling.
Deze slide heeft geen instructies
Q = 50: laatste eenheid 6 waard voor de vrager, kosten 9. Wat klopt?
Te veel eenheden: minder maken verhoogt het totaal surplus
Te weinig eenheden: meer maken verhoogt het totaal surplus
Precies goed: het totaal surplus is nu maximaal
Te veel eenheden: minder maken verlaagt het totaal surplus
De laatste eenheid kost 9 en levert de vrager 6 op: dat is 3 verlies. Weglaten verhoogt het totaal surplus. Verwachte fout: denken dat meer altijd beter is.
Een monopolist vraagt elke vrager zijn betalingsbereidheid. Consumentensurplus?
Groter, want vragers kopen meer dan bij een vaste prijs
Onveranderd, want de aanbieder verandert zijn Q niet
Nul: de aanbieder roomt het hele consumentensurplus af
Gehalveerd: het surplus wordt gedeeld met de aanbieder
Elke vrager betaalt precies wat hij over heeft: zijn surplus is nul. Alles gaat naar de aanbieder. Verwachte fout: denken dat de verdeling gelijk blijft of wordt gedeeld.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Surplus bij losse vragers
Surplus bij rechte lijnen
Marktmacht en verloren surplus
Doelmatigheid en afromen
Deze slide heeft geen instructies
MARKT · SURPLUS EN DOELMATIGHEID
Tips voor op het examen
Teken eerst de driehoek en schrijf basis en hoogte erbij.
Gebruik het prijsverschil als hoogte, nooit de prijs zelf.
Vergeet het 1/2-deel niet bij een driehoek, en gebruik het niet bij een rechthoek.
Doelmatig betekent een zo groot mogelijk totaal surplus, niet een eerlijke verdeling.
Deze slide heeft geen instructies