MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Examentraining
Overheid en markten: zo pak je examenvragen aan
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Examentraining
Overheid en markten: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Hubertl / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Wat ga je kunnen?
Ik kan examenvragen over heffingen, subsidies, prijsregulering en octrooien oplossen met berekeningen en argumenten.
Deze slide heeft geen instructies
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: welke ingreep, welke lijn verandert en welke hoeveelheid wordt verhandeld?
2. Reken: pas P - t of P + s toe, stel Qv = Qa gelijk en vul P in beide formules in.
3. Arceer: surplus is een driehoek of rechthoek; bepaal basis en hoogte uit de grafiek of formules.
4. Controleer: klopt CS + PS + overheid + WVL met het oude totale surplus?
Deze slide heeft geen instructies
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Een KLM Boeing 777 stijgt op van Schiphol: op vliegtickets zit een heffing
Vraagtype 1: nieuw evenwicht na ingreep
Heffing t: vervang P door P - t in Qa. Subsidie s: vervang P door P + s.
Stel Qv = Qa, los P op en vul P in beide formules in.
Voorbeeld: Qv = -P + 90, Qa = P - 10 en t = 10: -P + 90 = P - 20, dus P = 55 en Q = 35.
Bedrag voor de overheid: heffing of subsidie per stuk x verhandelde hoeveelheid.
Voorbeeld controle: Qa = (P - 10) - 10 = P - 20; 90 - P = P - 20 geeft P = 55; Q = 35; Qa(55) = 35. Aanbieders houden 45 over. Image credit: Haafie1 / Wikimedia Commons, CC0
Qv = -3P + 150, Qa = 2P - 20 en heffing 5. Wat levert de heffing de overheid op?
240
270
180
210
Qa wordt 2(P - 5) - 20 = 2P - 30; 150 - 3P = 2P - 30 geeft P = 36 en Q = 42; 5 x 42 = 210. Fouten: 240 (de oude Q = 48), 270 (P + t gebruikt: P = 32, Q = 54), 180 (5 x 36: heffing maal prijs).
Qv=-2P+90, Qa=3P-30, subsidie 5. Bereken Q.
Qa wordt 3(P + 5) - 30 = 3P - 15; 90 - 2P = 3P - 15 geeft P = 21; Q = 48 (controle 3 x 21 - 15 = 48). Verwachte fout: P - 5 gebruiken, of zonder subsidie rekenen (P = 24, Q = 42).
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Vraagtype 2: surplus en welvaartsverlies
CS en PS zijn driehoeken, de belastingopbrengst is een rechthoek: ½ x basis x hoogte, breedte x hoogte.
CS: hoogte tot de prijs die kopers betalen. PS: hoogte vanaf de prijs die aanbieders ontvangen.
WVL bij een heffing = ½ x t x (Q voor min Q na).
Voorbeeld: Pv = 50 - Q, prijs 30 en Q = 20 geven CS = ½ x 20 x 20 = 200.
Controle voorbeeld: Pv(20) = 30; CS = ½ x (50 - 30) x 20 = 200. Let op de eenheden van Q en P.
Qv = -2P + 160, Qa = 4P - 80 en heffing 9. Wat is het CS na de heffing?
1.600
1.360
1.462
1.156
Qa wordt 4(P - 9) - 80 = 4P - 116; 160 - 2P = 4P - 116 geeft P = 46 en Q = 68. Pv = 80 - 0,5Q: CS = ½ x (80 - 46) x 68 = 1.156. Fouten: 1.600 (CS voor de heffing), 1.360 (de oude Q = 80), 1.462 (prijs 37 van de aanbieder gebruikt).
Heffing 5, Q daalt van 90 naar 70. WVL?
WVL = ½ x 5 x 20 = 50. Verwachte fout: 5 x 20 = 100 (rechthoek in plaats van driehoek).
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Graanoogst op de Palouse (Idaho, VS): landbouw kent vaak minimumprijzen
Vraagtype 3: minimum- en maximumprijs
Lees Qv en Qa af bij de wettelijke prijs; het verschil is het overschot.
Maximumprijs: vraagoverschot. Minimumprijs: aanbodoverschot.
Verhandeld wordt de kleinste van Qv en Qa: de kortste kant van de markt.
Surplus bereken je alleen over de verhandelde hoeveelheid; de rest is welvaartsverlies.
De ingreep werkt alleen als de prijsgrens bindend is: maximumprijs onder, minimumprijs boven de evenwichtsprijs. Image credit: Onbekend / Wikimedia Commons, publiek domein
Je rekent met Qv = -3P + 240 en Qa = 5P - 80. De maximumprijs is 30. Hoeveel wordt verhandeld?
150
70
120
80
Bij 30: Qv = 150 en Qa = 70. De kortste kant (Qa) bepaalt: 70. Fouten: 150 (Qv), 120 (de evenwichtshoeveelheid bij P = 40) en 80 (het vraagoverschot).
Qv = -5P + 400 en Qa = 3P. De minimumprijs is 60. Hoe groot is het aanbodoverschot?
100
180
80
150
Bij 60: Qv = 100 en Qa = 180, dus overschot 80 (evenwicht P = 50, Q = 150). Fouten: 100 (verhandeld), 180 (Qa) en 150 (evenwichtshoeveelheid).
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Vraagtype 4: standpunt over octrooi
Een standpuntvraag vraagt: kies een kant en onderbouw met een argument.
Voor een langere looptijd: innovatie wordt lonend. Tegen: hoge prijs en welvaartsverlies.
Gebruik begrippen: tijdelijk monopolie, marginale kosten, welvaartsverlies, ontwikkelkosten.
Sluit af met een afweging: wat weegt zwaarder, en waarom?
Syllabus A3: standpuntbepaling met argumentatievraag, standpuntvraag en schrijfopdracht met woordadvies. Een goed antwoord noemt een standpunt, minstens één argument met economisch begrip en eventueel een tegenargument.
Een regering verkort de looptijd van octrooien. Welk argument past daarbij?
Het welvaartsverlies door de hoge prijs duurt korter
Bedrijven verdienen de ontwikkelkosten makkelijker terug
Er worden meer nieuwe medicijnen ontwikkeld
Het tijdelijke monopolie wordt winstgevender
Verkorten verkleint de tijd van het welvaartsverlies. De andere drie argumenten horen bij een langere looptijd of kloppen niet.
Noem één nadeel van een octrooi voor kopers.
Een hogere prijs en een lagere hoeveelheid tijdens het tijdelijke monopolie (welvaartsverlies). Verwachte fout: alleen een voordeel voor het bedrijf noemen.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Nieuw evenwicht na ingreep
Surplus en welvaartsverlies
Minimum- en maximumprijs
Standpunt over octrooi
Bespreek het lastigste vraagtype kort klassikaal.
MARKT · OVERHEIDSINGRIJPEN
Tips voor op het examen
Controleer een nieuw evenwicht altijd door P in Qv en Qa in te vullen.
Bij een maximum- of minimumprijs bepaalt de kortste kant de verhandelde hoeveelheid.
Een driehoek is ½ x basis x hoogte: kies de juiste basis (t of s) en hoogte (verschil in Q).
Zeg bij een standpunt altijd: mijn standpunt, mijn argument, de afweging.
Deze slide heeft geen instructies