LICHAAM · VOORTPLANTING
Voortplanting van de mens
Examenstof biologie vmbo
LICHAAM · VOORTPLANTING
Voortplanting van de mens
Examenstof biologie vmbo
Les 1 van 3: uitleg. Les 2 is de examentraining, les 3 de terugblik met quiz. Syllabus: BI/K/12.1 t/m BI/K/12.5. Image credit: Elizabeth / Wikimedia Commons, CC0
LICHAAM · VOORTPLANTING
Wat ga je kunnen?
Ik kan de voortplantingsorganen aanwijzen en uitleggen hoe de cyclus, de zwangerschap en de geboorte verlopen.
Deze slide heeft geen instructies
Wat hoort er bij de voortplanting van mensen?
Verwacht: eicel, zaadcel, zwangerschap, baby, menstruatie, puberteit, anticonceptie. Spreek vooraf af dat de les zakelijk en respectvol is: iedereen mag vragen stellen, niemand hoeft persoonlijke dingen te delen. Gebruik de woorden die genoemd worden als ophaak voor de bouw van de voortplantingsstelsels.
LICHAAM · VOORTPLANTING
Groei en geslachtskenmerken
Je groeit en ontwikkelt je in fasen: baby, kind, puber, volwassene en oudere. Je lichaam en je gedachten veranderen mee.
Primaire geslachtskenmerken heb je al bij je geboorte: de voortplantingsorganen.
Secundaire geslachtskenmerken ontstaan in de puberteit, onder invloed van geslachtshormonen.
Bij meisjes zie je bijvoorbeeld borsten, bredere heupen en schaamhaar. Bij jongens baardgroei, een lagere stem en bredere schouders.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 1 en 4). BB, KB en GT: fasen in de lichamelijke en geestelijke groei en ontwikkeling noemen, en primaire en secundaire geslachtskenmerken bij de vrouw en de man. De geslachtshormonen komen uitgebreider aan bod in de les over hormonen. Veelgemaakte fout: de eierstokken en teelballen secundaire kenmerken noemen. Dat zijn primaire kenmerken.
Het vrouwelijk voortplantingsstelsel, vooraanzicht
LICHAAM · VOORTPLANTING
Het vrouwelijk voortplantingsstelsel
De eierstokken maken eicellen. Ze liggen links en rechts in je buik.
De eileider voert de eicel naar de baarmoeder: een holle spier waarin het kind groeit.
De vagina (schede) is een spierbuis naar buiten.
Aan de buitenkant liggen de grote en kleine schaamlippen en de clitoris (kittelaar).
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 2). BB: ligging en functie van eierstokken, eileiders, baarmoeder, schede, grote en kleine schaamlippen en kittelaar. KB/GT: ook de bouw, bijvoorbeeld de dikke spierwand van de baarmoeder met een slijmvlies erin, en de eileider als buis die de eicel opvangt en naar de baarmoeder voert. Veelgemaakte fout: eileider en eierstok verwarren, of denken dat de baarmoeder een hol orgaan zonder spierwand is. Het schema is vereenvoudigd en toont het vooraanzicht. Image credit: Eigen tekening (schematisch)
Het mannelijk voortplantingsstelsel, zijaanzicht (vereenvoudigd)
LICHAAM · VOORTPLANTING
Het mannelijk voortplantingsstelsel
De teelballen maken zaadcellen. Ze hangen in de balzak, buiten het lichaam.
In de bijbal rijpen en wachten de zaadcellen. Via de zaadleider gaan ze naar de urinebuis.
Zaadblaasjes en prostaat maken vocht. Samen met de zaadcellen is dat het zaad.
De penis heeft zwellichamen, een eikel en een voorhuid. De urinebuis loopt erdoorheen.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 2). BB: ligging en functie van balzak, teelballen, bijballen, zaadblaasjes, zaadleiders, prostaat, penis, zwellichamen, urinebuis, voorhuid en eikel. KB/GT: ook de bouw, bijvoorbeeld de teelbal met kleine zaadbuisjes en de penis met zwellichamen die zich met bloed vullen, waardoor de penis stijf wordt. Door de urinebuis komt urine of zaad, nooit allebei tegelijk. Het schema is vereenvoudigd: de echte loop van de zaadleider is langer. Image credit: Eigen tekening (schematisch)
LICHAAM · VOORTPLANTING
Eicel en zaadcel
De eicel is een grote, ronde cel. Ze heeft geen staart en kan niet zelf bewegen.
In de eicel zitten een celkern met erfelijke informatie en een voorraad voedingsstoffen.
De zaadcel is veel kleiner. Hij heeft een kop met celkern, een middenstuk en een staart.
Het middenstuk levert energie. Met de staart zwemt de zaadcel naar de eicel.
Samen heten ze geslachtscellen. Ze komen bij de bevruchting bij elkaar.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 4): bouw en functie van een eicel en een zaadcel. Laat het verschil in grootte en bouw zien: de eicel heeft voedsel, de zaadcel kan zwemmen. Veelgemaakte fout: denken dat de zaadcel ook een voorraad voedingsstoffen heeft.
Vul in
Primaire geslachtskenmerken heb je al bij je geboorte. Secundaire geslachtskenmerken ontstaan in de puberteit en kun je goed zien.
Primaire kenmerken zijn er bij de geboorte, secundaire ontstaan in de puberteit. Verwachte fout: primair en secundair omdraaien.
Zet de weg van de zaadcel op volgorde
Teelbal (gemaakt), bijbal (rijpen), zaadleider, urinebuis. Verwachte fout: de bijbal na de zaadleider zetten.
De menstruatiecyclus van 28 dagen
LICHAAM · VOORTPLANTING
De menstruatiecyclus
Een menstruatiecyclus telt vanaf de eerste dag van de bloeding. Hij duurt vaak 25 tot 35 dagen.
In de eierstok rijpt een eicel. Bij 28 dagen komt de eicel rond dag 14 vrij: de ovulatie.
Het baarmoederslijmvlies wordt dikker, klaar voor een bevruchte eicel.
Geen bevruchting? Dan valt het slijmvlies af. Het komt met bloed uit de vagina: menstruatie.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 4): verloop van de menstruatiecyclus met ontwikkeling van een eicel in de eierstok, ovulatie, opbouw van het baarmoederslijmvlies en menstruatie (verval van het slijmvlies). De cyclus duurt vaak 25 tot 35 dagen en de menstruatie een paar dagen; wij rekenen met 28 dagen. De ovulatie ligt ongeveer 14 dagen voor de volgende menstruatie, maar is niet nauwkeurig te voorspellen. Veelgemaakte fout: denken dat de menstruatie in het midden van de cyclus zit. De ovulatie zit in het midden, de menstruatie aan het begin. Image credit: Eigen tekening
De weg van de eicel: van ovulatie tot innesteling
LICHAAM · VOORTPLANTING
Bevruchting en innesteling
Bij seksuele gemeenschap komt zaad in de vagina. De zaadcellen zwemmen naar de eileider.
Bevruchting: een zaadcel versmelt met de eicel in de eileider.
De eerste delingen vinden plaats in de eileider. Er ontstaat een bolletje van cellen.
In de baarmoeder volgt de innesteling: het bolletje nestelt zich in het baarmoederslijmvlies.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 4): bevruchting in de eileider, delingen in de eileider, innesteling in het baarmoederslijmvlies. Gebruik het schema met de vier nummers als stappenplan. Veelgemaakte fout: denken dat de bevruchting in de baarmoeder plaatsvindt. De eicel wordt in de eileider bevrucht. Image credit: Eigen tekening (schematisch)
De baarmoeder tijdens de zwangerschap
LICHAAM · VOORTPLANTING
Embryo, foetus en vruchtvliezen
Het kind heet eerst embryo (de eerste twee maanden) en daarna foetus.
De vruchtvliezen vormen een zak om het kind.
In de zak zit vruchtwater. Het beschermt tegen stoten en houdt de temperatuur gelijk.
Een zwangerschap duurt ongeveer negen maanden.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 4): ontwikkeling van embryo en foetus, ligging en functie van vruchtvliezen en vruchtwater. De grens tussen embryo en foetus ligt rond de tweede maand na de bevruchting. Veelgemaakte fout: vruchtvliezen en vruchtwater door elkaar halen. De vliezen vormen de zak, het water zit erin. Image credit: Eigen tekening (schematisch)
LICHAAM · VOORTPLANTING
Placenta en navelstreng
De placenta (moederkoek) zit vast aan de wand van de baarmoeder.
De navelstreng verbindt het kind met de placenta.
Via de navelstreng en de placenta komen zuurstof en voedingsstoffen bij het kind. Afvalstoffen gaan terug naar de moeder.
Het bloed van moeder en kind mengt niet: de stoffen gaan door de dunne wand van de bloedvaten.
Alcohol, nicotine en sommige medicijnen komen ook via de placenta bij het kind.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 4): ligging en functies van de navelstreng en de placenta (moederkoek). Veelgemaakte fout: denken dat het bloed van moeder en kind samen stroomt. De placenta werkt als uitwisselplek. Gebruik het laatste punt als aanleiding voor een kort gesprek over gezond leven tijdens de zwangerschap.
LICHAAM · VOORTPLANTING
Tweelingen
Bij een eeneiige tweeling splitst één bevruchte eicel zich vroeg in twee.
Beide kinderen hebben dezelfde erfelijke informatie en hetzelfde geslacht.
Bij een twee-eiige tweeling worden twee eicellen bevrucht door twee zaadcellen.
Deze kinderen lijken op elkaar als gewone broers en zussen. Het kan een jongen en een meisje zijn.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 18, alleen KB en GT): eeneiige en twee-eiige tweelingen. Voor BB hoeft dit niet. Veelgemaakte fout: denken dat een tweeling van een jongen en een meisje eeneiig kan zijn. Dat kan alleen bij twee-eiige tweelingen.
Wat gebeurt er tijdens de ovulatie?
Het baarmoederslijmvlies valt af
Een eicel komt vrij uit de eierstok
Een eicel nestelt zich in de baarmoeder
Een zaadcel dringt de eicel binnen
Bij de ovulatie komt de eicel vrij uit de eierstok. Verwachte fout: het afvallen van het slijmvlies (menstruatie) kiezen.
Vul in
De eicel wordt bevrucht in de eileider. Daarna volgt de innesteling in het baarmoederslijmvlies van de baarmoeder.
Bevruchting in de eileider, innesteling in het baarmoederslijmvlies. Verwachte fout: eierstok invullen, omdat daar de eicel vandaan komt.
LICHAAM · VOORTPLANTING
De geboorte
Eerst zakt het hoofd van het kind in het bekken: indalen.
Ontsluiting: door weeën (samentrekkingen van de baarmoeder) gaat de baarmoedermond open. De vruchtvliezen breken.
Uitdrijving: met persweeën drukt de baarmoeder het kind naar buiten. Daarna wordt de navelstreng doorgeknipt.
Nageboorte: de placenta en de vruchtvliezen komen los en worden uitgedreven.
De ontsluiting duurt meestal het langst.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 4): verloop van zwangerschap en geboorte met indalen, ontsluiting met weeën, uitdrijving met persweeën en nageboorte. Veelgemaakte fout: de nageboorte vergeten of de placenta als deel van de uitdrijving zien. De nageboorte komt na de geboorte van het kind.
Een echoscopie op het scherm, ongeveer 20 weken zwangerschap
LICHAAM · VOORTPLANTING
Prenataal onderzoek
Prenataal onderzoek is onderzoek vóór de geboorte, bijvoorbeeld naar erfelijke afwijkingen.
Echoscopie: met geluidsgolven maak je een beeld van het kind in de buik.
Vlokkentest: met een naald neemt een arts een stukje weefsel uit de placenta.
Vruchtwaterpunctie: een naald door de buikwand haalt vruchtwater met cellen van het kind op.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 4): vormen en functie van prenataal onderzoek, met name echoscopie, vruchtwaterpunctie en vlokkentest. Echoscopie is veilig voor het kind. Vlokkentest en vruchtwaterpunctie geven een klein risico op een miskraam; ouders kiezen zelf of ze meedoen. Het scherm op de foto heeft Duitse menutaal, dat maakt voor de les niet uit. Image credit: Goleisureintl / Wikimedia Commons, CC BY 4.0
LICHAAM · VOORTPLANTING
Voorbehoedmiddel: zwangerschap voorkomen
Condoom: een rubber hoesje om de penis. Het houdt zaad tegen en beschermt ook tegen soa's.
Pessarium: een rubber kapje voor de baarmoedermond. Het houdt zaadcellen tegen.
Spiraaltje: ligt in de baarmoeder. Zo kan een eicel zich niet innestelen.
Sterilisatie: de eileiders of de zaadleiders worden afgesloten. Eicel en zaadcel ontmoeten elkaar niet meer.
De pil is een ovulatieremmer: er komt geen eicel vrij, dus er is niets om te bevruchten.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 5): de werking van voorbehoedmiddelen beschrijven: condoom, spiraaltje, sterilisatie, pessarium en de invloed van de pil als ovulatieremmer. Voor alle leerwegen. Sterilisatie is bedoeld als blijvende oplossing. Alleen het condoom beschermt tegen soa's. Veelgemaakte fout: denken dat de pil ook tegen soa's beschermt.
LICHAAM · VOORTPLANTING
Seksualiteit: functies en opvattingen
Seksualiteit heeft meer functies dan voortplanting: ook plezier en intimiteit (je dicht bij iemand voelen).
Opvattingen, normen en waarden over seksualiteit verschillen per persoon, cultuur en geloof.
Wat de een gewoon vindt, vindt een ander misschien niet. Respecteer elkaars mening.
Seks is alleen goed als allebei het willen. Je kunt altijd stoppen, en een nee is een nee.
Syllabus BI/K/12 (specificatie 17 en 18, onderdeel 3): functies van seksualiteit verwoorden en verschillen in opvattingen, normen en waarden daarover formuleren. Houd het gesprek zakelijk en respectvol; niemand hoeft eigen ervaringen te delen. Wijs op hulp bij vragen: mentor, huisarts, GGD. Veelgemaakte fout: seksualiteit alleen als voortplanting zien.
Wat doet de pil in je lichaam?
Er komt geen eicel vrij uit de eierstok
Zaadcellen worden in de vagina tegengehouden
De eileiders worden afgesloten
Het baarmoederslijmvlies wordt dikker
De pil werkt als ovulatieremmer. Verwachte fout: sterilisatie (eileiders afsluiten) of het pessarium (zaadcellen tegenhouden) kiezen.
Wat vond je vandaag het lastigst?
De voortplantingsstelsels
De menstruatiecyclus
Zwangerschap en geboorte
Onderzoek en voorbehoedmiddelen
Bespreek het onderdeel met de meeste stemmen de volgende les nog eens met een tekening.
Waarin verschillen opvattingen over seks?
Open reflectie, geen goed of fout. Verwacht: wanneer je er klaar voor bent, met wie, cultuur en geloof, voorbehoedmiddelen. Laat leerlingen elkaars antwoorden respectvol bespreken.
LICHAAM · VOORTPLANTING
Begrippen
menstruatiecyclus: Terugkerende reeks veranderingen bij een vrouw, geteld vanaf de eerste dag van de bloeding.
ovulatie: Het vrijkomen van een eicel uit de eierstok.
innesteling: Het zich vastzetten van de bevruchte eicel in het baarmoederslijmvlies.
placenta: Moederkoek: hier worden stoffen uitgewisseld tussen moeder en kind.
voorbehoedmiddel: Middel dat een zwangerschap voorkomt.
Deze slide heeft geen instructies