Stageles 5a
week 2/3
Stageles 5a
week 2/3
Deze slide heeft geen instructies
Hoe was je stageweek?
Deze slide heeft geen instructies
Breng je stagemap in orde: DEEL 1
Breng stagemap in orde (zie doc opbouw stagemap)
stageafspraken: getekend?
stagedoelen
infokaart: volledig ingevuld + begeleider aangeduid
Volgende documenten moeten in je stagekaft zitten, indien dit niet het geval is, steek je in het U-mapje een blaadje waarop staat waarom het document ontbreekt en wanneer je dit in orde zal brengen. Je ondertekent dit document.
Stagecontract
Werkpostfiche/risicoanalyse
IDEWE
Attest goed gedrag en zeden
Deze slide heeft geen instructies
Breng je stagemap in orde: DEEL 2
Je bekijkt je urenfiche: is deze volledig? Correct ingevuld? Elke dag getekend?
Je plaatst in de urenverantwoordingslijst in de kolom van deze week een kruisje wanneer je de activiteit uitvoerde.
Je neemt je feedback/reflectiebundel van voorbije stageweek
Kreeg je feedback op de actiepunten? - zo neen noteer waarom niet
Kreeg je feedback op je algemene functioneren? - zo neen noteer waarom niet
Je vult je reflectie in op basis van je eigen ervaringen en de weekevaluatie door je mentor.
Je formuleert 3 concrete acties die jij deze week zal uitvoeren op je weekactiepunten van de volgende stageweek.
Deze slide heeft geen instructies
STAGEOPDRACHT
Deze slide heeft geen instructies
Opdracht situatieschetsen
Maak groepjes van 3 personen.
Neem een blad met 3 situaties op die geobserveerd werden tijdens de stagebezoeken voorbije weken.
Lees de casussen en bedenk hoe jij als kinderbegeleider zou reageren (max 10 minuten), noteer kort bij de casus
Na 10 minuten overlopen we alle casussen in de klas:
De casus wordt geprojecteerd
Elk groepje komt naar voor en speelt de situatie + hun reactie na
Antwoorden worden op bord gebracht
Deze slide heeft geen instructies
Situatie 1:
Je zit aan tafel met een kindje (ong 8 jaar). Je weet dat hij heel moeilijk praat. Hij is een tekening aan het inkleuren van Pokemon.
Plots draait hij zijn blad naar jou en wijst naar iets onder de Pokemon. Hij zegt iets onverstaanbaar. Het is duidelijk dat hij iets wil zeggen over iets onder de Pokemon, maar je hebt hem echt niet verstaan.
Wat doe je?
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door obv hetgeen je wel verstond en hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
Situatie 4:
Op stagebezoek zag ik 's morgens enkele kindjes vertrekken naar school met de bus vanuit de opvang. Ze stond flink in de rij, met de boekentasjes en jassen en... met een tutje in hun mond.
Wat is het beleid in jouw opvang rond tutjes?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
situatie 3
- spelimpulsen geven aan kindjes die niet echt betrokken bezig zijn. + vb
situatie 4 (beleid rond tutjes)
- K&G raadt gebruik af, wil minimaliseren
- iets anders dan tutje geven
situatie 5:
Situatie 7:
Esmée is met de poppen aan het spelen. Ze gaf elke pop nieuwe kleedjes en maakte wel wat rommel. Je gaf reeds de opdracht om op te ruimen, Esmée blijft spelen.
Wat doe je?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
situatie 3
- spelimpulsen geven aan kindjes die niet echt betrokken bezig zijn. + vb
s
Situatie 2:
Je zit aan de de tekentafel met een meisje (3de leerjaar). Ze zegt 'ik heb vandaag een aanval gehad'. Je begrijpt haar niet meteen en vraagt door: 'oei, een aanval? Waarom?'. Ze antwoordt: 'ik was in een emotionele bui omdat ik een broertje heb dat gestorven is bij de geboorte.'
Wat doe je?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
-
Situatie 5:
Je zit aan tafel te praten met je stagebegeleider en je mentor. Een kindje dat jou duidelijk heel leuk vindt, komt achter je staan en begint met jouw (losse) haren te spelen.
Wat doe je? Vind je dit leuk? Vind je dit niet leuk? Zeg je hier iets van?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
situatie 3
- spelimpulsen geven aan kindjes die niet echt betrokken bezig zijn. + vb
situatie 4 (beleid rond rutjes)
situatie 5 (haren spelen)
- professionele nabijheid versus afstand...
- grenzen durven trekken (warm, zacht, rustig)
1) bijv je draait je om en glimlacht even en zegt 'he ik vind het fijn dat je bij mij wil zijn maar ik ben even in gesprek, laar mijn haar maar los, ok?' of 'het kriebelt wat, laten we dat straks doen als ik klaar ben'
2) non verbaal (handen zachtjes van haren halen,draai wat zodat ze niet meer aan je haren kan,
Situatie 8:
Alle kinderen staan in de rij om naar school te gaan. De vaste medewerkers staan vooraan aan de rij, jij staat en merkt op dat Tibe (4de leerjaar) aan de jas van Vincent (4de leerjaar) trekt. Vincent slaat Tibe. Tibe slaat terug en er ontstaat een gevechtje tussen de twee kinderen.
Wat doe je?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
situatie 3
- spelimpulsen geven aan kindjes die niet echt betrokken bezig zijn. + vb
s
Situatie 3:
Er zijn 12 kindjes op de opvang. 5 kleinere kleuters zitten aan de tekentafel, de anderen zitten in de speelhoek met verkleedkleren, autobaan, ... Alles verloopt rustig. Je merkt op dat een kleuter 'doelloos' aan het lijnen trekken is op zijn blaadje papier, een groter kindje zit wat te rommelen in de autobak, enkele kinderen zijn zich hevig aan het verkleden, ...
Wat doe je?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
situatie 3 (gewoon rustige dag)
- spelimpulsen geven aan kindjes die niet echt betrokken bezig zijn. + vb
situatie 4:
Situatie 6:
Alle kinderen staan in de rij om op de bus naar school te vertrekken. Mats (4) staat samen met enkele grotere jongens (6/7) achteraan in de rij.
De rij vertrekt, alle kinderen gaan een voor een naar buiten. Achteraan begint er wat geduw en getrek. Je merkt dit zelf niet op, pas als je merkt dat er geen kindje meer komt, zie je Mats met zijn boekentas op zijn rug op de grond liggen, schoppend en slaand naar iedereen rond hem.
Wat doe je?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
situatie 3
- spelimpulsen geven aan kindjes die niet echt betrokken bezig zijn. + vb
s
Situatie 9:
Jij staat aan de tekentafel. Lore en Faisal (beide ongeveer 9 jaar) zijn aan het spelen aan een kickertafel. Plots zie je Faisal weglopen naar de autohoek en Lore komt jammerend naar jou: 'Faisal bleef maar draaien met die mannetjes en ik vond dat niet leuk en heb heel vaak stop gezegd en nu is die weggelopen'.
Wat doe je?
sit 1 (moeilijk verstaanbaar kindje)
- actief luisteren, heel bewust luisteren op moment dat hij iets wil zeggen
- op ooghoogte gaan staan/zitten zodat je de lippen kan zien
- letten op non verbale taal
- je herhaalt hetgeen je wel verstaat in duidelijke taal (niet corrigeren)
- afhankelijk van de situatie en de inschatting die jij maakt of het hij er belang aan hecht, vraag je door:
1) herhaal hetgeen je wel verstond en koppel er een vraag aan
2) gebruik hetgeen hij met non verbale taal duidelijk maakt.
3) vraag of hij het kan tonen wat hij wil zeggen
- 'ik begrijp je niet helemaal goed maar ik vind het wel leuk dat je het me wilde vertellen'
- blijf hem actief betrekken in het spel
sit 2 ('emo bui want broertje is dood')
- laat voelen dat je luistert, geef aandacht (dat begrijp ik, dat is heel verdrietig); geef warmte en toon begrip
- je kan het niet 'oplossen', er gewoon zijn kan je wel
- ruimte voor het kind: wil het er over praten of niet? (bijv wil je er over praten?').
- als ze wil praten: stel open vragen: wat mis je het leeste?
- meldt het aan een collega, even opvolgen (gesprek ouders, observeren, eventueel activiteit rond verdriet aanbieden)
situatie 3
- spelimpulsen geven aan kindjes die niet echt betrokken bezig zijn. + vb
s