H5 §7 en §8

Trappen van vergelijking 
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Trappen van vergelijking 

Slide 1 - Tekstslide

DOEL



trappen van vergelijking en als/dan

- je weet wanneer je als/dan moet gebruiken bij de trappen van vergelijking


Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

trappen van vergelijking

Slide 4 - Tekstslide

Trappen van vergelijking

Slide 5 - Tekstslide

Er zijn drie trappen van vergelijking: de stellende trap, de vergrotende trap en de overtreffende trap.


A
Juist
B
Onjuist

Slide 6 - Quizvraag

Uitzondering
Bij enkele woorden zijn
de trappen van vergelijking iets anders.

Kim heeft een oude rolstoel,
maar die rijdt nog goed.

Slide 7 - Tekstslide

Hieronder staan trappen van vergelijking. Vul elke trap van vergelijking aan.
1 … - bozer - …
2 goed - … - …


A
boos, boost, goeder, goedst
B
boos, boost, beste, best
C
boos, boost, beter, best
D
boos, boost, beter, goedst

Slide 8 - Quizvraag

Maak zelf zinnen met de trappen van vergelijking. Gebruik de plaatjes op de volgende dia's

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Als/dan
Gebruik dan:
- bij een vergotende trap: meer dan, kleiner dan, mooier dan
- bij ander, andere en anders: het is anders dan ik dacht.

Gebruik als:
- bij net zo en even: net zo groot als, even mooi als
- bij niet zo: niet zo groot als
- bij drie keer, vier keer zo: vier keer zo groot als..

Slide 14 - Tekstslide

DE FOUTJES
  1. Lisa is jonger als mij.
  2. Gebruik 'dan' en 'als' niet door elkaar. 'Dan' komt altijd na een vergrotende trap.
  3. Lisa is jonger dan ik (ben).

Slide 15 - Tekstslide

Vandaag ben ik even slim als/ dan hem/ hij.
A
als en hem
B
als en hij
C
dan en hem
D
dan en hij

Slide 16 - Quizvraag

DOEL

- je weet wanneer je als/dan moet gebruiken bij de trappen van vergelijking
trappen van vergelijking en 
als en dan

Slide 17 - Tekstslide

Evaluatie

Heb je de lesdoelen behaald?


-Weet je wat de trappen van vergelijking zijn?

-Weet je wanneer je 'dan' gebruikt?

-Weet je wanneer je 'als' gebruikt?


Slide 18 - Tekstslide

Drie verschillende werkwoorden
1. pv tegenwoordige tijd.
2. pv verleden tijd. 
3. voltooid deelwoord 

Slide 19 - Tekstslide

Filmpje NN

Slide 20 - Tekstslide

LASTIGE WERKWOORDEN
Van sommige werkwoorden klinkt de persoonsvorm tegenwoordige tijd en het voltooid deelwoord hetzelfde, MAAR je schrijft ze wel anders.

Slide 21 - Tekstslide

Ge-, be-, ont-, ver-, her- 
Woorden, die hiermee beginnen zijn lastig. 
bijvoorbeeld:
Jan verstuurt een bericht.
Jan heeft een bericht verstuurd.

Versturen - en = verstur --> r zit niet in  't ex-kofschip, dus verstuurd! Verlengproef --> verstuurde

Slide 22 - Tekstslide

Lastige werkwoorden
Maak de opdrachten allemaal. Heb je er 10 van de 15 goed, dan mag je stoppen. Is dat niet gelukt? Dan maak je de 5 plus opdrachten.

Slide 23 - Tekstslide

Maaike (verhuizen) volgende maand naar een andere stad.
A
verhuist
B
verhuisd
C
verhuizen
D
verhuizt

Slide 24 - Quizvraag

Karin (sporten) 3x per week.
A
sporten
B
sportte
C
sport
D
spordt

Slide 25 - Quizvraag

Het (gebeuren) niet vaak de Nicole een onvoldoende krijgt.
A
gebeurt
B
gebeurd

Slide 26 - Quizvraag

Vul de juiste vorm in
3/15 gemaakt

Slide 27 - Tekstslide

(Beantwoorden) je broer zijn mailtjes altijd pas na 2 weken?

Slide 28 - Open vraag

Mijn vrienden hebben me om half negen (ophalen)

Slide 29 - Open vraag

Gisteren was ik heel erg (haasten)

Slide 30 - Open vraag

Wat is er goed?
6/15 gemaakt

Slide 31 - Tekstslide

Wat zijn lastige werkwoorden?
A
kennen
B
dansen
C
grasmaaien
D
knikkeren

Slide 32 - Quizvraag

Wij (kennen) veel mensen van die club.
A
kennen
B
kunnen
C
kent
D
kan

Slide 33 - Quizvraag

School(kennen) alle leerlingen.
A
kunnen
B
kan
C
kennen
D
kent

Slide 34 - Quizvraag

Vul het juiste antwoord in
9/15 gemaakt

Slide 35 - Tekstslide

Waar begint het voltooid deelwoord in de tegenwoordige tijd meestal mee?

Slide 36 - Open vraag

In de tegenwoordige tijd noemen we een werkwoord met be-, ge,- ver,- ont,- her,- of over een.............
Hoe noemen we dit?

Slide 37 - Open vraag

Het werkwoord lopen, is dat een lastig werkwoord? Waarom wel of niet?

Slide 38 - Open vraag

Nog 1x oefenen
12/15

Slide 39 - Tekstslide

Je gebruikt de verleng proef om te horen of je een voltooid deelwoord met een -d of met een -t schrijft.
A
niet waar
B
waar

Slide 40 - Quizvraag

Gelukkig werd ik onderweg niet (beroven)

Slide 41 - Open vraag

Het( verbazen) mij dat hij zo goed kan spelen op het hockeyveld.

Slide 42 - Open vraag

Maken
de trappen van vergelijking
blz. 143: opdrachten 1-2-3-4 
lastige werkwoorden
blz. 144: startopdracht-1-3-4

Slide 43 - Tekstslide

                                              



LEZEN

Slide 44 - Tekstslide