Groep 7 Zoeken en Word - Word Online

 Werkstuk in Word
De Pijlstaart
Groep 7
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
Digitale geletterdheidBasisschoolGroep 7

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

 Werkstuk in Word
De Pijlstaart
Groep 7

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


  • Hoe maak je een werkstuk in Word? 
Wat gaan we doen vandaag?

Slide 2 - Tekstslide

Dia verbergen als je geen heel dagprogramma draait
In deze les leren we...
  • Hoe je slim zoekt op internet.

  • Hoe je kan zien of een bron betrouwbaar is (of niet).

Slide 3 - Tekstslide

Leerlingen kunnen tekst typen en bewerken in Word.

Leerlingen kunnen basisopmaak toepassen (vet, cursief, onderstrepen, lettergrootte, kleur).

Leerlingen kunnen alinea’s structureren (kopjes, opsommingstekens).

Leerlingen passen dit toe op een thema.
Zoeken op het internet

Slide 4 - Tekstslide

Verschillende bronnen: Hoe werkt de zoekmachine van Google?
Leg kort de geschiedenis van zoekmachines uit:
In het begin was het internet heel klein, geen zoekmachines nodig.
Daarna: alleen maar lange database met de titels van de webpagina’s.
Eerste slimmerik die bedacht dat dat wel handig zou zijn: Yahoo en Alta Vista, waarbij Alta Vista eigenlijk de eerste goede webcrawler had, een programmaatje wat via links het web afzoekt, kijkt wat er op de webpagina staat, en dit verstuurt naar de database van Altavista. Altavista keek ook niet alleen naar de titel, maar ook naar de inhoud van de pagina’s. Bovendien kon Altavista woorden negeren, zoals bij “Wie was de beste hoogspringer in 2012” keek hij alleen naar beste hoogspringer 2012. De andere woorden negeerde hij. Dat lijkt makkelijk, maar is best moeilijk om te bouwen.
Toen Google kwam zijn beide search engines minder belangrijk geworden. Alta vista is opgeheven, en Yahoo bestaat nog maar is veel minder populair als search engine (staat nog wel op plek 3, maar Google heeft al 70% van de markt)
Google
Weet iemand waar de naam Google vandaan komt? Het is een verbastering van de term Googol, wat een 1 met 100 nullen betekent. Het verwijst naar hoeveel pagina’s google wilde kunnen zoeken.
Google was succesvoller dan de andere search engines, omdat het op een andere manier de resultaten berekende, en dat sloot veel beter aan bij wat mensen echt zochten:
Yahoo en Altavista kijken naar hoe vaak een gezochte term op een pagina voorkwam, en zetten de pagina’s met de meeste hits bovenaan. Google deed iets heel anders: die keek naar hoeveel links de website had naar andere pagina’s die populair waren. Het lijkt raar, maar dat gaf veel betere resultaten. En toen mensen dat ontdekten werd Google snel heel populair.
Nadeel van Google is dat ze wel heel veel over je weten. Zeker als je ook nog hun webbrowser (Chrome), of email gebruikt.
Er zijn ook andere best goede webbrowsers waar je eens naar kan kijken, zoals Bing van Microsoft, of Duck Duck Go, wat belooft geen gegeven van je vast te houden.
Eén van de grootse search engines ter wereld kunnen wij trouwens niet gebruiken, heeft iemand een idee wat dat zou kunnen zijn?
Het is Baidu, die alleen maar Chinees zoekt.

     Zoekmachines voor kinderen

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Zoeken stappenplan
  1. Bedenk wat je wilt weten.
  2.  Bepaal welke zoekwoorden je gebruikt.
  3. Bekijk de zoekresultaten - scan eerst, staan dikgedrukte woorden in de snippet (tekst)?
  4. Past de informatie bij mijn vraag?
  5. Pas je zoekopdracht aan voor een beter resultaat.
  6. Check de bron.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Zoektermen
Tips om goede zoekwoorden te bedenken:

  • Maak je zoekwoorden precies
  • Gebruik alleen de belangrijkste woorden (2-5 woorden)
  • Maak een woordweb als je geen zoekwoorden kan bedenken.

Slide 7 - Tekstslide

Laat een aantal voorbeelden zien. 
    Voorbeeld -Waarom bouwden de romeinen zoveel                            wegen?
2. Zoekwoorden: Romeinen wegen reden.
3. Resultaten scannen..kijk naar:
- de titel van de website.
- de korte tekst onder het zoekresultaat.
- dikgedrukte woorden.
4. Past de informatie bij mijn vraag?
-Gaat de tekst over Romeinse wegen?
-Staat er waarom ze werden gebouwd?
5. Geen antwoord op de vraag gevonden -> pas je zoekwoorden aan.
6. Check de bron: 
Is het een geschiedeniswebsite?/ Informatieve webite?
Is het een educatieve website?

Staat dezelfde informatie ook op andere websites?

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
 1 . Bedenk wat je wilt weten.
Schrijf de onderzoeksvraag op.
2. Schrijf minimaal 3 zoekwoorden of zoekopdrachten op.
3. Bekijk de zoekresultaten:
Open een zoekmachine en typ je zoekwoorden in.
Kijk naar:
de titel van de website.
de korte tekst onder de titel.
de dikgedrukte woorden.
 Schrijf op: Welke website lijkt bruikbaar? Schrijf de website op. 
4. Past de informatie bij mijn vraag?
Lees een stukje van de website.
Schrijf twee antwoorden op OF pas je zoekwoorden aan (stap 5) en volg vanaf stap 3. 

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Bronnen
Het is belangrijk om goed te kijken naar de bron van je informatie.

  •  Niet alles op internet is waar.

  • Sommige mensen maken expres nepnieuws.

  • Soms is informatie oud of onvolledig.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

     Bronnen checken 

  • Wie heeft dit gemaakt?
       Is het een expert, een organisatie of zomaar iemand?(over-ons,       
        about, colofon)

  • Wat is het doel van de bron? Is informatie geven het hoofddoel van de bron? Zijn er veel of geen (weinig) advertenties?                                      
  • Kun je het op meerdere websites vinden?
     Zoek of andere websites hetzelfde vertellen.

Slide 11 - Tekstslide

Laat zien op een website hoe je een bron checkt. 
     Opdracht  Is jouw bron betrouwbaar?

Schrijf bij stap 6:

Waarom jij denkt dat deze website betrouwbaar is (of niet). 

- Wie heeft dit gemaakt?
       Is het een expert, een organisatie of zomaar iemand?(over-ons,
        about, colofon)
- Wat is het doel van de bron? Is informatie geven het hoofddoel van de bron? Zijn er veel of geen (weinig) advertenties?
- Kun je het op meerdere websites vinden?
     Zoek of andere websites hetzelfde vertellen.


Slide 12 - Tekstslide

Kijk nog eens goed naar je onderzoeksvraag en de website waar je je antwoorden hebt gevonden.
Vraag jezelf af: Is het een betrouwbare website?
    Voorbeeld

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

In deze les leren we...
  • Een inhoudsopgave maken
  • Paginanummers toevoegen
  • Een kop- en voettekst invoegen
  • Een afbeelding invoegen 
  • Een voorblad invoegen

Slide 14 - Tekstslide

Leerlingen kunnen tekst typen en bewerken in Word.

Leerlingen kunnen basisopmaak toepassen (vet, cursief, onderstrepen, lettergrootte, kleur).

Leerlingen kunnen alinea’s structureren (kopjes, opsommingstekens).

Leerlingen passen dit toe op een thema.
Tekstverwerken

Slide 15 - Tekstslide

Lesdoel: Leerlingen leren eenvoudige handelingen  met een tekstverwerkingsprogramma uitvoeren.
Leerlingen begrijpen de basisyntax van icoontje die voor tekstopmaak worden gebruikt
Leerlingen beseffen dat deze basisopmaak syntax gelijk is over bijna alle programma's

Vraag leerlingen of ze weten wat tekstverwerken is. Het is eigenlijk het bewerken van tekst op een computer. Je hebt er verschillende programma's voor, maar ze werken allemaal bijna hetzelfde. Je kan ze gebruiken om een brief te schrijven, maar ook om een verslag te maken, een boek te schrijven of een krant of tijdschrift te maken. 
Tegenwoordig worden ze vaak gecombineerd met programma's die iets makkelijker dingen mooi kunnen maken, zoals Canva, maar ook in pure tekstverwerking kan je tegenwoordig mooie dingen maken.
Zoek vooraf op of de school werkt met Google of Microsoft. Afhankelijk daarvan geef je de uitleg in Google docs of in Word. Dit maakt niet zoveel uit, als je met de ene uit de voeten kunt, is de andere makkelijk te leren.

Startvraag:Weet iemand wat een tekstverwerker is?

Met een tekstverwerker verwerk je tekst. Je kan erin typen, tekst dikgedrukt maken of juist niet, 

Voorbeeld

Slide 16 - Tekstslide

Laat leerlingen naar de voorbeelden kijken. Wat valt ze op? Welke tekst is duidelijker?
Hoe komt dat?
Word Online
Titel document
Lettertype
Lettergrootte
maak de tekst dikgedrukt
maak de tekst schuingedrukt
maak de tekst onderstreept
Uitvullingen

Regelafstand
Pagina
Opsommingstekens

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Tekstslide

Bespreek waarom Fonts interessant zijn: je kan ze gebruiken om je tekst meer te laten passen bij je boodschap.
Wingdings zijn symbolen die je als tekst kan toevoegen, zoals een vierkantje of een diamantje, of een griekse letter.
Laat even aan de leerlingen zien hoe dat eruit ziet. Kunnen ze iets bedenken waarvoor je dat nodig zou hebben? (antw: opsommingtekens bijvoorbeeld)
Een serif font heeft streepjes aan de onder en bovenkant van letters, zoals Times New Roman, een sans serif niet.
Grappig feitje: voor kinderen die dyslectisch zijn is Serif vaak makkelijker om te lezen. De letters dansen minder.
 omdat de streepjes boven en onder een referentiekader bieden. 

Slide 19 - Tekstslide

Dit is eigenlijk een illustratie van de verschillende gebruiken van fonts.
De een voor laatste heet chiller, hij is om griezelige dingen te schrijven. De laatste heet Bauhaus, die zou je als titel van iets heel belangrijks kunnen gebruiken bijvoorbeeld.
Wat kan je doen met tekst?
Je kan een heleboel doen met tekst!

  • Dikdrukken: dit noem je bold
  • Schuin schrijven: dit noem je italic
  • Kleur aanpassen
  • Onderstrepen

Slide 20 - Tekstslide

Neem de informatie op de pagina door

Wanneer zou je deze opties gebruiken voor je tekst?
Lay-out
De lay-out van de pagina is hoe hij eruit ziet als geheel

  • Koppen
  • Lijsten of opsommingen
  • Witruimte, spacing en uitvulling
  • Headers en footers
  • Plaatjes

Slide 21 - Tekstslide

Laat per onderdeel zien waar ze het kunnen vinden in hun tekstverwerkingsprogramma (Google tekst of Word). Behandel de laatste 3 niet, die komen in les 4 aan de orde.
Koppen
1. Selecteer je kop
2.Klik op v naast Kop 1
3. Selecteer Kop 1

Doe dit voor elk hoofdstuk
1.
2.
3.
.

Slide 22 - Tekstslide

Laat zien hoe je Kop kan opmaken en updaten. Laat zien hoe je vervolgens de andere koppen simpel van dezelfde andere opmaak kan voorzien (selecteer tekst en druk op Kop1) 
Lijsten of opsommingen
1.  Selecteer je tekst

2. Druk op lijst met 
    opsommingstekens
1.
2.

Slide 23 - Tekstslide

Laat per onderdeel zien waar ze het kunnen vinden in hun tekstverwerkingsprogramma (Google docs of Word). Laat ook zien hoe je een lijst maakt met cijfers. 
Wanneer gebruik je die?
Opdracht
Schrijf 10 zinnen over je thema. Met daarin:

1. Een titel en koppen/alinea's:
  •     Maak de koppen/titel groter en dikgedrukt
2.  Een lijstje met (minimaal) 3 opsommingstekens.
3. Verschillende soorten tekstopmaak (vet, cursief, kleur): 
  • Maak één woord in de tekst rood.
  • Onderstreep een belangrijk woord.
  • Maak één woord cursief (schuingedrukt).



timer
15:00

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Opdracht
1. Zoek een tekst via google over jullie thema
2. Selecteer de tekst en kopieer (ctrl + c) deze
3. Open Word/Google Docs en plak hierin je tekst (ctrl + v)
4. Zorg voor een andere opmaak: 

  • Verander je lettertype
  • Maak de koppen/titel groter en dikgedrukt.
  • Maak één woord in de tekst rood.
  • Onderstreep een belangrijk woord.
  • Gebruik lijsten bij opsommingen 



timer
15:00

Slide 25 - Tekstslide

Laat even zien hoe je tekst zoekt, selecteert, kopieert en plakt in google docs. Voor degene die het lastig vinden een (geschikte) tekst te zoeken, gebruik dan de tekst die je zojuist hebt gebruikt voor de uitleg. 
Ze gaan naar dezelfde website en kopieren en plakken die tekst om ze vervolgens zelf te bewerken.

Eventueel kan je via chatGPT tekst generen over een bepaald thema wat geschikt is voor die leeftijdsgroep.


Max 1 pagina bewerken
In deze les leren we....
Hoe je witruimte en ruimte tussen regels (spacing) mooi kunt maken.

Hoe je een tekst links, midden of rechts kunt zetten (uitvulling).

Hoe je een kop- of voettekst (header en footer) toevoegt.

Hoe je een plaatje invoegt in Word.


Slide 26 - Tekstslide

Leerlingen kunnen tekst typen en bewerken in Word.

Leerlingen kunnen basisopmaak toepassen (vet, cursief, onderstrepen, lettergrootte, kleur).

Leerlingen kunnen alinea’s structureren (kopjes, opsommingstekens).

Leerlingen passen dit toe op een thema.
Tekstverwerken

Slide 27 - Tekstslide

Wat weet je nog van vorige les? Hoe maak je tekst duidelijker?
Voorbeeld

Slide 28 - Tekstslide

Welke tekst vind je fijner om te lezen? Hoe komt dat denk je?

Leg deze keer vooral de nadruk op de witregels en uitlijning 
Witruimte
Witruimte is de lege ruimte in je tekst.

Dat zijn de plekken waar even geen woorden staan, zoals:

  • de ruimte tussen je titel en de tekst
  • de ruimte tussen twee alinea’s
  • of de marge (de lege rand aan de zijkanten van je blad)

Druk op Enter om een lege regel te maken

Slide 29 - Tekstslide

Witruimte zorgt ervoor dat je tekst rustig en duidelijk oogt. Als alles aan elkaar vast staat, wordt het lastig lezen.

Demonsteer in Word hoe je voor witruimte zorg tussen de Titel en de eerste kop en tussen de alinea's. 
Eventueel kan je marge ook demonstreren als de klas al wat meer ervaring heeft met Word.  
Spacing (regelafstand)

Spacing is de ruimte tussen de regels.


Je kunt de regels dichter op elkaar zetten.



Of je kunt de regels wat verder uit elkaar zetten, bijvoorbeeld 1,5 regelafstand.

Slide 30 - Tekstslide

Met spacing kun je een tekst makkelijker leesbaar maken. De tekst kan zo rustiger ogen. 


Spacing (regelafstand)
1. Selecteer met je muis 
de tekst die je wilt veranderen.

2. Zoek het icoontje met regels
 en pijltjes (regelafstand).

3. Kies bijvoorbeeld 1,5 
voor meer ruimte tussen 
de regels.
2.
1.
3.

Slide 31 - Tekstslide

 Welke afstand vinden ze het prettigst voor hun tekst?
Uitvulling 
Uitvulling betekent hoe je tekst uitgelijnd staat op de bladzijde.


Slide 32 - Tekstslide

Hier in de voorbeelden is de hele tekst uitgelijnd (respectievelijk links, gecentreerd en rechts) Laat ook zien dat je bijvoorbeeld alleen de titel in het midden kan zetten. 

Demonstreer tevens hoe uitvullen eruit ziet (tekst loopt aan beide kanten recht.) Uitvulling wordt vaak in boeken en kranten toegepast.

Wie weet welke uitvulling er het meest wordt gebruikt bij teksten? En voor de Titel?

Wanneer zou je rechts willen uitlijnen? Bijvoorbeeld voor een datum of  handtekening.  

Laat ze nadenken welke uitvulling bij hun eigen tekst zou passen. Waarom denken ze dat?




Header en footer  (kop- en voettekst)

Een header is een stukje tekst dat bovenaan elke bladzijde staat.
Bijvoorbeeld:
  • de titel van je tekst
  • het onderwerp.

Een footer is een stukje tekst dat onderaan elke bladzijde staat.
 Bijvoorbeeld:
  • je naam, 
  • je klas 
  • paginanummer

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Header en footer  (kop- en voettekst)
1. Ga bovenin naar het menu Invoegen.

2. Selecteer Koptekst & voettekst.

3.  Typ je koptekst (bijv. je naam of titel)

4. Klik op Naar voettekst en typ wat je daar wilt hebben (bijv. paginanummer).
1.
2.
4.

Slide 34 - Tekstslide

Leg ook uit hoe je makkelijker paginanummers kan toevoegen (zie knop paginanummers naast koptekst en voettekst).
Plaatjes 
1. Klik op Invoegen.

2. Kies Afbeeldingen

3. Kies Zoeken op het web

4. Typ wat je zoekt

 5. Klik op Invoegen


1.
2.
3.
4.
5.

Slide 35 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plaatjes 
1. Je kunt het plaatje groter of kleiner maken door aan de hoekjes te trekken

2.  Je kunt instellen hoe de tekst om het plaatje heen loopt
door te klikken op tekstterugloop

1.
2.

Slide 36 - Tekstslide

Laat even zien hoe je stap twee doet. Eventueel demonstreren hoe je de afstand tussen de tekst en het plaatje kan aanpassen.
Opdracht
 Open je tekstbestand van vorige keer en pas je tekst aan: 

  • Zorg voor witruimte tussen je titel en de tekst en tussen alinea's
  • Zet de titel in het midden (gecentreerd) van de pagina
  • Zorg dat de regels wat verder uit elkaar staan, bijvoorbeeld 1,5 regelafstand.
  • Zet een paginanummer op de pagina rechtsonderin (footer)
  • Zorg voor plaatjes in de tekst en laat de tekst om het plaatje               heen lopen.



timer
15:00

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tekstverwerken

Slide 38 - Tekstslide

Stel vragen als: 

Wat vind jij het handigste dat je geleerd hebt?

Wat vond je het moeilijkste?

Hoe zou je dit kunnen gebruiken bij andere vakken (bijv. taal, geschiedenis, aardrijkskunde)?
Ik kan een titel en alinea’s maken met witruimte ertussen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 39 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik kan de regelafstand (spacing) veranderen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik kan tekst links, midden, rechts of uitgevuld zetten
😒🙁😐🙂😃

Slide 41 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik kan een header en footer toevoegen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 42 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik kan een plaatje invoegen en de grootte aanpassen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 43 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Ik kan een document netjes en overzichtelijk maken
😒🙁😐🙂😃

Slide 44 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies